Hoofdstuk 18


Vers 1

Wee.

Hoort dit vers misschien als slot bij hoofdstuk 17?

Ook daar gaat het in het eind over "wee" over de volken.


Veel verschillende vertalingen.

Het grondwoord kan als één woord gelezen worden, maar het kan ook gesplitst worden. Als we het splitsen staat er :

Ook in een Jesaja-Qumranrol staan 2 woorden.


Vleugelgegons.

Kânâph =

Dat wijst dan naar een land dat lijdt onder sprinkhanenplagen.


Cusj.

Ethiopië.



Vers 2

Dat gezanten zendt...

Anders:

Waar komen de gezanten vandaan?

De gezanten komen waarschijnlijk niet uit Cusj, maar uit Jeruzalem, de residentie van de Messias. De gezanten gaan, met papieren documenten, de wereld over om Joden terug te roepen naar het land Israël, want daar is nu de Messias koning geworden.


Boten van biezen.

De Studiebijbel vertaalt:

De gezanten hebben papieren documenten bij zich.


Over het water.

Bijna dezelfde uitdrukking staat in

De Geest zweefde boven de wateren, boven het wateroppervlak.


Er worden gezanten uitgezonden over de hele aarde, over (=boven) het oppervlak van de wateren, dus mogelijk per vliegtuig. Ze hebben documenten van papyrus, papier. Ze moeten de Joden terugroepen naar Israël, want daar is het vrederijk gesticht.


Waar moeten de boodschappers heen?

Volk = Goy = heidenvolk.


De boodschappers moeten naar "een heidenvolk", zo wordt Israël genoemd.

Het verstrooide Israël is nog onbekeerd en zo aan heidenen gelijk.


Een volk gevreesd.

Even later in dit vers heet het volk Israël "ammi" (=Mijn volk), dan hebben ze een relatie met God.

Dus: een volk dat vanaf dat ogenblik, gevreesd zal worden.

Dit zal gebeuren zodra Israël tot bekering komt. Dan is de Messias op aarde en Hij is hun Koning.

Een volk getrokken en geplukt.

Israël is voor een deel nog in de verstrooiing.

Het volk Israël "trekt" en doolt rond.

Het volk is "geplukt". Dat betekent: kaalgeschoren.

Het kan ook zijn dat het "koppig of eigenzinnig" betekent. Dat past wel bij de Joden. Ze waren altijd anders dan de andere volken. Ze stapelen voorschrift op voorschrift. (regel op regel) Dat wijst op de vele interpretaties van de Thora.

Ook worden ze vertrapt, onderdrukt, veracht, vervolgd, verjaagd.


Bij wie rivieren zijn land beroven.

Het Hebreeuwse woord kan vertaald worden met land of aarde.

VdW :

God maakt de natuurlijke barrières (Nijl en Eufraat) droog, zodat de Joden ongehinderd kunnen terugkeren naar Israël.



Vers 3

De banier.

Rondom een banier moest een legereenheid zich verzamelen.

De hier genoemde banier is het zichtbare teken van de Messias. Deze banier kondigt Zijn koningschap aan.

Nu eist Jezus ook het eigendomsrecht van het land Israël op voor Zichzelf.

Op de bergen.

Dat zijn bergen bij Jeruzalem.



Vers 4

Ik zal rustig toezien.

De oordelen zijn op de aarde geweest, de zeven zegels, de zeven bazuinen en de zeven schalen. De zeven schalen zijn nu leeg gegoten.

Gods toorn is ten einde.

Het koninkrijk van de Messias begint.



Vers 5

De wijngaard.

De wijngaard is Israël.

Ranken zonder vrucht worden weggesnoeid. Dat zijn Joden die het Messiaanse rijk niet binnen mogen.

Of heeft dit te maken met de wijnoogst in de eindtijd?



Vers 6

Zij zullen...

Dat zijn de vijanden die worden opgegeten door aaseters.

Als de legers van God omkomen is men wel 7 maanden bezig om alle lijken op te ruimen.



Vers 7

Geschenken of geschenk.

De grondtekst spreekt over "geschenk". Enkelvoud!


Velen lezen "geschenken", een gevolg van foute exegese dat de gezanten vanuit Cusj naar Jeruzalem gaan. Ze komen toch niet met 1 geschenk bij het koninklijke hof, zo redeneert men.


Aan God wordt " één geschenk" gebracht nl. Zijn volk, het bekeerde Israël.

Het was eeuwenlang een volk dat ronddoolde en koppig was. Vanaf nu, de bekering van Israël, wordt het een volk dat gevreesd zal worden.


Wie biedt dit geschenk aan?

Dat doet de Messias.

Hij is de Koning van dit volk.

Rivieren beroven zijn land.

VdW:

Dit is een soort handtekening onder deze profetie.



<