Hoofdstuk 10


Vers 1

Oordeelsprofetie. Wee!


Verordeningen van onrecht.

Men leeft niet meer volgens de Thora van God. Men maakt zelf onrechtvaardige wetten.



Vers 2

De gedupeerden.

  1. Armen.
  2. Ellendigen.
  3. Weduwen.
  4. Wezen.



Vers 3

Gods vergelding.

Beschreven in vs 3 en vs 4.



Vers 5

Wee over Assyrië.

Assyrië voerde Gods oordelen uit, maar niet om God te dienen. Bruut geweld wordt gebruikt. Satanisch is wat Assyrië doet. Daarom blijft hun straf ook niet uit.



Vers 6

Hoe is Israël?

  1. Een huichelachtig volk.
  2. Een volk waarop God boos is.



Vers 7

Om weg te vagen.

God wilde Assyrië gebruiken om Israël te straffen, maar Assyrië gaat veel verder dan God wilde. Assyrië vaagt Israël weg. Daarvoor zal God Assyrië straffen.



Vers 9

Kalno en Hamath.

Kalno, Hamath liggen in Syrië. Ze zullen zeker veroverd worden zoals Karchemis en Arpad. Waarschijnlijk is Damaskus ook al gevallen en het zal Samaria net zo vergaan. Tiglatpileser III pocht.

Ondanks een bondgenootschap met Achaz spaart Assyrië alleen Jeruzalem.



Vers 10

Mijn hand.

Dat is de macht van Assyrië.

De genoemde steden hadden meer afgoden dan Jeruzalem of Samaria, maar zijn toch veroverd.



Vers 12

Zodra de Heere (Adonay)

Normaal gebruikt Jesaja de naam Jahweh. Nu gebruikt hij Adonay.

Het gaat hier over de soevereiniteit van God over Efraïm en Juda.

Het Sinaïtische verbond is verbroken en God keert Zich nu tégen Sion. "Geheel Zijn werk" betreft hier Zijn straffend werk.

Vergelding voor Assyrië.

Koning Tiglatpileser strijdt tegen het 10-stammenrijk en daarna tegen het 2-stammenrijk. In zijn trots is hij veel te wreed en te gewelddadig geweest. God zal hem daarvoor straffen.



Vers 13

Want hij zegt...

Tiglatpileser III is in hoogmoed aan het woord. Hij rooft en zaait dood en verderf. Het gaat over ammîm, volken die een relatie hadden met Assyrië. Dus vazalstaten waren in opstand gekomen en krijgen straf. De profane geschiedenis bevestigt dat.


De grenzen weg.

Assyrië lijft de opstandige vazalstaten in of voert de inwoners weg.



Vers 14

Er werd tegen Assyrië nauwelijks weerstand geboden.



Vers 15

Zou de bijl zich beroemen?

God zegt dat Tiglatpileser III slechts een werktuig, een bijl, was in Gods hand.

Tiglatpileser doet alsof hij de houthakker is.



Vers 16

De welgedane vorsten.

= Assyrische vorsten.

De Babylonische koning zou Assyrië verslaan.



Vers 17

Waarover gaat dit?

Dit is een sprong naar de verwoesting van de tempel.

Velen menen dat hier de ondergang van Assyrië wordt beschreven, maar dat is niet juist.

  1. Assyrië ging niet op één enkele dag ten onder, Jeruzalem wel.
  2. Nérgens in OT wordt de HEERE als een vlam voorgesteld.
  3. De constructie van deze zin suggereert 2 objecten / personen (licht en heilige) en niet 2 namen voor één Persoon, God.
  4. De uitdrukking "Licht van Israël" komt in OT nergens anders voor. Het is nauwelijks te onderbouwen dat de HEERE ermee bedoeld wordt. Hier wordt de tempel bedoeld.
  5. In Jesaja staat 50x het woord "heilige", maar in álle gevallen wordt het woord aangevuld met een omschrijving van wie of wat heilig is. Dat is hier niet het geval.
  6. "Heilige" zonder verdere omschrijving staat alleen hier en in Jesaja 57:15. God woont in de hemel en in het heilige (Dat is het heiligdom natuurlijk). Ook in onze tekst zal het dan wel naar de tempel verwijzen.

VdW:

De verwoesting van de tempel gebeurde in 586 v C., dus ongeveer 146 jaar ná deze profetie.


Doorn en distel.

Dat zijn de kwaadwilligen, de goddeloze Joden.


In één dag.

Het heiligdom in Jeruzalem werd op één dag verbrand door de Babyloniërs.



Vers 18

Hij.

Beter: het.

Het vuur.



Vers 20

Op die dag.

Deze uitdrukking leidt vaak een profetie over de eindtijd in.

  1. Er staat: te dien dage
  2. Israël zal oprecht op de HEERE steunen. Dat veronderstelt bekering. Dat is nog steeds niet gebeurd.
  3. Overvloeiende rechtvaardigheid hoort bij het vrederijk.
  4. "In het midden van de aarde" wijst op het Messiaanse rijk.
  5. Vs 26 spreekt over totale overwinning over de vijanden van Israël. Dat is toekomst.
  6. Vs 27 spreekt over de "tegenwoordigheid van de Gezalfde", de Messias. Dat is toekomst.

Het ontkomen overblijfsel.

Halverwege de grote verdrukking zal de antichrist goddelijke eer voor zichzelf opeisen.

Hij plaatst een beeld in de tempel. Jezus noemt dat "de gruwel ".

De Joden die de antichrist niet willen vereren, worden vervolgd. Ze vluchten naar de woestijn.

Zij steunen op hun God en erkennen Jezus, als Hij wederkomt, als Messias.

Degene die hen sloeg.

= antichrist.



Vers 21

Het overblijfsel keert terug.

Israël komt tot geloof.

Jezus doodt de antichrist en de valse profeet en werpt ze beide in de hel.

Jezus brengt het gelovige overblijfsel terug vanuit de woestijn naar Sion.



Vers 22

Een overblijfsel keert terug.

Het overblijfsel bekeerde zich.

Verdelging.

"Verdelging" is een onjuiste vertaling.

Het woord betekent: voltooiing. JHWH heeft besloten om Zijn werk te voltooien.

Paulus citeert deze tekst uit LXX in

Hij leest, net als wij, onvervulde profetie.



Vers 23

Vernietigend einde.

Ook hier is "vernietiging" eigenlijk "voltooiing".



Vers 24

Wees niet bevreesd voor Assyrië.

Assyrië

Antichrist en de valse profeet en Gog, allen o.l.v. satan.



Vers 25

Mijn toorn.

Gods toorn heeft alles te maken met oordelen en straf.

Gods toorn openbaart zich vooral in de grote verdrukking.



Vers 26

Gods gesel.

Dit verwijst naar de verlossing door Gideon.


Gods staf.

Dit verwijst naar de verlossing uit Egypte.

Opnieuw zal Israël op een wonderlijke manier ontsnappen. Zoals ooit bij de Schelfzee.



Vers 27

Op die dag.

Deze uitdrukking leidt vaak een profetie over de eindtijd in.


Zijn last.

De last die "Assur" , de antichrist, op Israël legt.


Gezalfde.

De last en het juk worden vernietigd. De komst van de Messias op de Olijfberg zal dat inleiden.

Jezus zelf zal de antichrist en de valse profeet in de hel werpen.

VdW:



Vers 28

Let op.

Hier keert de profetie terug naar de tijd van Jesaja.


Hij beschrijft de rooftocht van de Assyriërs. Jeruzalem wordt nog gespaard vanwege het bondgenootschap met Achaz.

Ajath = Ai



Vers 33

God zal de takken afhakken.

God zal Assyrië toch slaan. Ttv Hizkia, 185.000 man.

Ook in verdere toekomst.



<