Hoofdstuk 11


Vers 1

Oneerlijkheid is een gruwel voor God.



Vers 2

Hoogmoed komt vóór de val.

God keert Zich tégen hen.



Vers 4

Gerechtigheid redt.

Wie rechtvaardig leeft heeft van de aardse rechter niets te vrezen.

Wie schuilt achter de gerechtigheid van Christus is ook veilig voor God. Die persoon is ook gered van de eeuwige dood, de 2e dood.



Vers 7

Onze hoop.

De grond voor onze hoop is ons geloof.

Onze hoop is ons anker. Dat anker hecht vast in het verzoeningswerk van Christus, onze hogepriester.

Hij bracht Zijn bloed op het hemelse verzoendeksel.



Vers 8

Concrete voorbeelden.

  1. Israël wordt gered uit de zee. De farao komt om in de zee.
  2. Daniël wordt gered uit de leeuwenkuil. De stadhouders komen in zijn plaats, maar sterven.
  3. David wordt gered en Absalom komt om.
  4. Noach wordt gered, de goddeloze wereld komt om.



Vers 9

Met zijn mond te gronde.

Ook een rechtvaardige kan een vloek uitspreken die een goddeloze te gronde richt.

Elisa deed dat bij Bethel.

Jotham, de zoon van Gideon, legt een vloek op zijn halfbroer Abimelech die 70 broers vermoordde.



Vers 10

Gejuich.

Men is blij van de goddelozen verlost te zijn.

Dit lijkt in tegenspraak met.



Vers 11

Mond van de goddelozen.

De goddelozen hebben God verlaten. Ze hebben dan geen wijsheid meer.

Hoe kunnen ze dan met zegen regeren?



Vers 12

Zwijgen.

Een verstandige houdt zich aan het 9e gebod: geen vals getuigenis spreken.



Vers 13

Al lasterend.

Je lastert niet alleen als je kwaad spreekt over iemand, maar ook als je geheimen doorvertelt.

De wijze doet dit niet.



Vers 14

Geen wijze raad.

De raad van Achitofel was wijs.

Absalom verwierp die wijze raad voor de raad van Husaï.

Het verwerpen van de wijze raad werd de ondergang van Absalom.



Vers 15

Borg voor een vreemde.

Goede adviezen staan in



Vers 17

Goedertieren.

Vriendelijk.



Vers 21

Hand op hand.

Hand erop.

Dus: zeker weten.



Vers 24



Vers 28

Rechtvaardigen groeien.

Rechtvaardigen vertrouwen op God. Zij worden niet beschaamd.



Vers 31

Een rechtvaardige krijgt vergelding.

Als David zondigt, dan krijgt hij wel vergeving, maar toch straft God.



<