Hoofdstuk 6


Vers 2

De naam HEERE.

Vgl:

Waarschijnlijk kende Abraham wel de Naam, maar niet de diepe betekenis van de Naam HEERE, zoals Mozes die nu kende.

HEERE is de Verbondsgod. Hij denkt ook aan Zijn verbond met de aartsvaders.


God de Almachtige.

El Schaddai komt in de Pentateuch 9x voor.

God gaat zich ook als de Almachtige openbaren in de tien plagen en in de vele wonderen daarna.



Vers 3

Het verbond.

Bij dit verbond met de aartsvaders hoorde de landbelofte. Aan die landbelofte houdt God zich. Hij bracht Israël weer terug in Zijn land, het beloofde land. Ze zullen er niet meer uitgaan.

Landbelofte.



Vers 5

5 bekers bij Pesach.

Bij elke beker hoort een belofte.

  1. Ik zal u uit Egypte leiden.
  2. Ik zal u redden van de slavernij.
  3. Ik zal u verlossen door Mijn grote kracht. Dit is de beker van het latere avondmaal. De beker van de dankzegging.
  4. Ik zal u aannemen tot Mijn volk ( vers 6).
  5. Ik zal u brengen in het land (Vers 7) Dit is de beker voor Elia. Die wordt niet gedronken, want dit gaat pas in vervulling als de Messias komt. Tegenwoordig zijn er Joden die deze beker al wel drinken.

De sedermaaltijd.

Tegenwoordig liggen er 5 gerechten op de sederschotel.

  1. Karpas. Frisse groene groenten. Het wordt samen gegeten met zout water en herinnert aan de tranen die gevallen zijn in Egypte.
  2. Charoset. Gemaakt van nootjes, appel, rozijnen en kaneel. Het symboliseert het leem, waarvan Israël stenen moest bakken in Egypte.
  3. Maror. Bittere kruiden. Mierikswortel of radijs. Het herinnert aan de bittere tijd van de slavernij.
  4. Gebrand ei. Een symbool van de breekbaarheid van ons bestaan. Symbool van het nieuwe leven en de nieuwe toekomst.
  5. Een botje. Symbool voor het paaslam. Sinds de verwoesting van de tempel in 70 wordt er geen paaslam meer geofferd.



Vers 6

Aannemen.

Dit is een uitdrukking voor huwelijkssluiting. God haalde Zijn bruid uit Egypte. De Thora is de huwelijksakte. Het huwelijk werd gesloten bij Sinaï.




Vers 7

Hand opheffen.

God deed die eed aan Abraham.

Landbelofte.



Vers 8

Moedeloosheid.

Letterlijk:

Ze kregen geen rust. Ze kwamen niet op adem.

Ze zagen de redding niet meer zitten. Het was, na de komst van Mozes, alleen maar slechter geworden.



Vers 11

Niet welbespraakt.

Dat excuus had Mozes al eerder gebruikt.

Hij gebruikt het opnieuw in



Vers 17

Hebron.

Hebrons zonen worden hier niet genoemd. Ze staan wel in



Vers 19

Zijn tante.

Jochebed was een dochter van Levi. Ze is in Egypte geboren.

Amram is een zoon van Kahath, dus een kleinzoon van Levi.


137 jaar.

Mozes was 80 jaren oud toen de uittocht plaats vond. Als Amram jonger was dan 57 jaar toen Mozes werd geboren, dan heeft Amram de uittocht nog meegemaakt.


Aäron.

Aäron was 3 jaar ouder dan Mozes.



Vers 22

Eliseba.

Ze was uit de stam van Juda.

In de stam van Juda zijn 6 generaties, terwijl in de stam van Levi 3 of 4 generaties zijn tot aan Mozes en Aäron.



Vers 23

Korach.

Korach van het oproer was dus een neef van Mozes en Aäron.



Vers 29

Niet welbespraakt.

Dat excuus had Mozes al eerder gebruikt.



<