Hoofdstuk 7


Vers 1

Tot een god.

Mozes is de vertegenwoordiger van God.


Uw profeet.

Aäron is de woordvoerder.

Mozes geeft hem de woorden van God door.

Een profeet geeft dus woorden van God door.

Mozes zelf was ook een profeet.



Vers 3

Tekenen.

Verharden.

Farao is Gods woorden ongehoorzaam. Dan geeft God hem over aan verharding.

Farao is de schuld van de verharding.

In Exodus 4:21 zegt God al van tevoren dat Hij de ongehoorzame farao zal verharden.



Vers 4

Mijn hand op Egypte.

Dat is Gods straffende hand.


Mijn legers.

Hier gaat het over de aardse legers, Israëlieten.

De God van Israël heet ook God van de legermachten.



Vers 5

Dan zullen ze weten..

Farao zei: "Wie is de HEERE?"

Dat zullen ze spoedig weten.

Hij blijkt de almachtige God te zijn en veel machtiger dan alle afgoden van Egypte.



Vers 9

Slang.



Vers 11

Wijzen en tovenaars.

O.a. Jannes en Jambres en bezweerders uit de priesterkaste.

Door magnetische invloed kon men een slang laten verstijven of de verstijfde slang weer goed maken.


Ze deden hetzelfde.

Het Hebreeuws gebruikt twee verschillende woorden:

  1. bij Aaron: het woord “tannin” (grote slang / draak)
  2. bij de magiërs: gewoon “slang”.

Sommige uitleggers zien hierin een aanwijzing dat het wonder van God krachtiger was.

We moeten denken aan echte staven. God geeft satan veel macht. De staven worden slangen, maar er blijft niets van over. De enige slang die overblijft, is de slang van Aäron.


Toverij is occult.

Toverij = magie.

Het is op bovennatuurlijke manier invloed uitoefenen op personen of dingen. Het is dus actief.

Handelingen 8:11.

Handelingen 13:6-8.


Magische middelen.

  1. Drugs. Galaten 5:20. Drugs werken bewustzijnsverruimend en lijken in aanraking te brengen met een bovenzintuigelijke werkelijkheid.
  2. Toverkruiden. Exodus 22:18 en Deuteronomium 18:10 en Micha 5:11.
  3. Toverbanden. Ezechiel 13:17-23. Toverkunsten om mensen te gronde te richten.
  4. Amulet. ( talisman of mascotte). Geluksvoorwerp tegen ziekte of ongeluk. Er staan lasterlijke teksten op. Gebeden om genezing in ruil voor je ziel die satan mag verderven. Jesaja 3:18-20. Richteren 8:21. Richteren 8:26.
  5. Reciteerformules, mantra's. Mattheus 6:7.
  6. Banspreuken, vloek uitspreken. Numeri 23:23. Deuteronomium 18:11.
  7. Slangenbezwering.
  8. Magnetiseren. 2 Koningen 5:11.



Vers 13

De farao.

De farao verhardt zich. Als hij zich meerdere keren verhardt, dan geeft God hem over aan verharding.

Farao's naam is Amenhotep II. Hij hoorde bij de achttiende dynastie. Hij leefde ongeveer 480 jaar vóór de tempelbouw door Salomo.



Vers 14

10 plagen.

Het past niet in de traditie van de farao's om negatieve gebeurtenissen te documenteren.

In Egypte vinden we dus niets over de plagen.



Vers 15

3e teken.

Mozes kreeg aanvankelijk 3 tekenen van God:

  1. De slang.
  2. De melaatse hand.
  3. Water dat bloed zal worden.

In de ochtend.

Plagen 1, 4, 7 beginnen in de morgen. Dat wijst op een nieuw begin. Zo zijn er 3 groepen van 3. Plaag 10 staat apart.

De nijlgod.

Hapi, de Nijlgod, was de levengever.

Nu stierf alles. Het blijkt dat de macht van Hapi niets is.

Farao heet wel "grote Hapi". Hij is "zoon van de Nijl".



Vers 16

In de woestijn.

Díe woestijn ligt in Midian, in Saoedi-Arabië.

Daar ligt Sinaï en bij die berg zou Mozes met het volk God dienen, zei God vanuit de brandende braambos.

Ze moesten wel 3 dagen deze woestijn intrekken, om bij de Sinaï te komen.

De totale reis vanuit Egypte vergde veel meer tijd.



Vers 17

Slaan.

God geeft de afgod Nijl letterlijk een slag. Als er geen water is dan is er ook geen leven.


Wanneer?

Waarschijnlijk rond juli–augustus.
Tijdens de Nijloverstroming wordt het water rood door slib en algen. De Bijbelse plaag was echter extreem: Het gebeurde toen Aäron op het water sloeg. De vissen stierven en het water werd ondrinkbaar.


Samenvattend tijdschema.

  1. Water wordt bloed
    juli–augustus.
  2. Kikkers
    aug–sept.
  3. Muggen
    september.
  4. Steekvliegen
    oktober.
  5. Veepest
    dec–jan.
  6. Zweren
    jan.
  7. Hagel
    jan–feb.
  8. Sprinkhanen
    feb–mrt.
  9. Duisternis
    maart.
  10. Eerstgeborenen sterven.
    maart–april.



Vers 18

Vissen.

Egyptenaren aten geen schapen of runderen. Vis was belangrijk voedsel.



Vers 25

De volgende plaag.

Na een week kwam de volgende plaag al.



<