Hoofdstuk 4


Vers 3

Slang.

Wadjet is de cobra-godin die werd geassocieerd met de Nijldelta. Zij was de beschermgodin van Beneden-Egypte.



Vers 4

De slang.

Door dit wonder stond Mozes ver boven de slangenbezweerders.


3x hand.

Er staan in het Hebreeuws 2 verschillende woorden.



Vers 7

Melaats.

De melaatsheid was een ongeneeslijke ziekte. Hier geneest de hand van Mozes en dat is een wonder van een almachtige God.



Vers 9

3e teken.

We lezen niet dat Mozes dit teken in Egypte bij de oudsten deed. Wel gebeurde dit bij de eerste plaag.



Vers 10

Machtig in woorden.

Stefanus noemt Mozes " machtig in woorden", maar dat ziet meer op inhoud dan op voordracht.

Zelfs niet vanaf het ogenblik..

Uit deze opmerking van Mozes kun je opmaken, dat God al tegen hem had gesproken in Egypte.

Toen had God mogelijk al gesproken over de verlossing van Israël, maar toen ging Mozes het in eigen kracht proberen en vermoordde een Egyptenaar.



Vers 11

Wie gaf jou een mond?

God bedoelt: Ik maakte de mond en de tong. Dan kan Ik er toch ook voor zorgen dat je goed zult spreken.



Vers 13

Mozes gaat te ver.

Nu toont Mozes onwil, door kleingeloof. Dan wordt God boos.



Vers 14

Hij trekt u tegemoet.

Aäron is al enige tijd op reis, want hij ontmoet Mozes bij de berg Sinaï.

Aäron was toen 83 jaren. Hij was waarschijnlijk vrijgesteld van slavenwerk.



Vers 15

Met uw mond.

Dat gaat over de inhoud van de boodschappen.


Met zijn mond.

Dat gaat over de voordracht van de boodschappen.



Vers 16

Voor hem tot een god zijn.

Aäron zal alleen spreken wat Mozes hem opdraagt.



Vers 19

Farao van de verdrukking.

Toetmosis III regeerde 54 jaar. Hij was de farao van de verdrukking.

Die is nu opgevolgd door Amenhotep II, die de farao van de uittocht wordt.

Salomo bouwde de tempel 480 jaren ná de uittocht.



Vers 20

De staf van God.

Het was de herdersstaf van Mozes die in een slang was veranderd.



Vers 21

Zijn hart verharden.

Als farao niet luisteren wil, dan treedt de verharding in. Op een bepaald moment geeft God farao over aan die verharding.

De Hebreeuwse woorden voor de verharding drukken allemaal de begeerte uit om liever opstandig te zijn, dan om met God in harmonie te leven.



Vers 22

Zo zegt de HEERE.

Farao hoort nu ook de náám van de God van Israël.


Mijn zoon.

God heeft:



Vers 23

Uw zoon doden.

Hier dreigt God al met de tiende plaag. Dan is farao echt verhard na veel waarschuwingen.



Vers 24

Tegenkwam.

Letterlijk:

Het gaat hier waarschijnlijk over "hem", de eerstgeborene van Mozes.

Mozes moet het volk wijzen op het verbond, maar dan moet hij zichzelf ook wel aan het verbond houden, dus zijn zoons besnijden.


Besnijdenis.

De Israëlieten moesten besneden zijn om Pesach te vieren.

Israël had zich daar trouw aan gehouden en ieder kon bij de tiende plaag Pesach vieren. Mozes had echter zijn zonen niet besneden.

Gaf hij toe aan Zippora om niet te besnijden?



Vers 25

Zippora besneed...

Zippora was waarschijnlijk tégen de besnijdenis en ze doet het nu in boosheid.


Besnijdenis.

= Berit Mila.

Mila = woord.

We moeten besneden worden door "het woord". Ons hart wordt dan besneden.



Vers 26

Besnijdenissen.

Ze besneed twee zoons.



Vers 27


Dé berg van God.=Sinaï.


Aäron had al heel ver gereisd.



<