Hoofdstuk 13


Vers 2

Heiligen.

De gespaarde eerstgeborenen eigende God zich nu toe.

Eigenlijk moesten die in de tabernakel gaan werken, maar omdat de stam van Levi die taak kreeg, moesten de eerstgeborenen nu vrijgekocht worden.


Eerstgeborenen.

Het gaat hier om zonen.



Vers 4

Abib.

Pesach is op veertien Abib.

Het vertrek uit Egypte was 15 Abib.

Abib is vanaf dat moment de eerste maand, terwijl voorheen Tisri de eerste maand was. Tisri wordt nu de zevende maand.

Abib =



Vers 5

Honing.

=sap uit dadels.


Wilde honing.

= bijenhoning.

Dat at Johannes de Doper.



Vers 6

Feest.

Dit feest van de ongezuurde broden duurde 7 dagen.

Eigenlijk ging Pesach eraan vooraf. In het evangelie heet het ook wel "de voorbereiding".

De eerste dag van het feest van de ongezuurde broden was een feestsabbat. Dat was 15 Abib, de dag ná Pesach. Die feestsabbat hoefde dus NIET op een weeksabbat te vallen. Deze "feestsabbat" noemt Johannes de "grote sabbat".

Net vóór deze "grote sabbat", de feestsabbat, werd Jezus begraven. Hij stierf, net als het paaslam, op veertien Abib, op Pesach. De schaduw (paaslam) was gelijk aan de werkelijkheid (Jezus)

De laatste dag van het feest moest er echt een feest van gemaakt worden.



Vers 7

Geen zuurdeeg.

In de bijbel is zuurdeeg het beeld van zonde.

Dat past niet bij het paaslam.

Het Lam van God stierf juist voor de zonden.

Hij droeg de zonden weg.

Als Jezus zegt: "Dit (brood) is Mijn (zondeloze) lichaam", dan kan Hij dat alléén zeggen met ongezuurd brood.



Vers 8

Doorvertellen.

Dit vertellen heeft een doel. De kinderen moeten hun hoop op deze God stellen.



Vers 9

Teken aan uw hand.

De Joden dragen die doosjes op hun hand en op hun voorhoofd.

Ze bevatten 4 passages uit Thora.

Tussen de ogen:

De riem 7x om onderarm, dan om de hand (vorm van letter sjin) , dan 3x om middelvinger. Daarbij wordt Hosea 2:18-19 uitgesproken.

De windingen + knopen op hoofd en arm samen vormen de letters van Sjaddai = Almachtige.


Men draagt ze niet op



Vers 12

Eerstgeborenen.

Het gaat, volgens Exodus 22:29-30, om eerstgeborenen.

Zie ook vers 2 en vers 13.



Vers 13

Beweegoffer / hefoffer.

Ezelin.

Dat dier staat hier voor alle onreine dieren.


Lossen.

=vrijkopen.



Vers 16



Vers 17

Farao.

Amenhotep II.


De weg van de Filistijnen.

Dat was de grote handelsroute op het kruispunt van de continenten.

Die heet ook:

In Numeri 20:17 wordt ook zo'n handelsroute genoemd, de koninklijke weg.



Vers 18

Door de woestijn naar de Schelfzee.

Het volk trok het Sinaïtische schiereiland over naar de Schelfzee, dat is de Golf van Akaba.


Naar de Schelfzee. Waar is die?

De Schelfzee ligt bij Edom en bij Eilath, dus het is de Golf van Akaba.

Israël trok dus naar het oosten en stak dus het Sinaïtische schiereiland over.

In Exodus 3 verschijnt God aan Mozes in Midian.

Midian ligt in Saoedi-Arabië.

God zegt dat Mozes met het volk Israël God zal dienen bij de berg Sinaï.

Midian ligt ten oosten van de Golf van Akaba. Dus de berg Sinaï is dan niet Djebel Moesa in het zuiden van Sinaïtische schiereiland, want dan was Israël naar het zuiden getrokken. Sinaï is Djebel al Laws in Saoedi-Arabië.

Paulus schrijft erover.

De Schelfzee is dus de Golf van Akaba en NIET de Golf van Suez.

Als de Golf van Suez werkelijk de Schelfzee zou zijn, dan zou Israëls grondgebied wel erg klein zijn volgens

Door de woestijn naar de zee.

Het volk stak dus het Sinaitische schiereiland over, richting Eilath om zo boven de Golf van Akaba langs, aan de oostkant van de Golf, naar de berg Sinaï in Midian te trekken. Dit was ook een karavaanroute en tamelijk vlak.

Plotseling verandert God de route. Bij Eilath moet het volk naar het zuiden aan de westkant van de Golf van Akaba. Dan volgen ze 85 km de wadi Watir naar het zuiden. Er zijn geen zijwegen. Het is een droge bedding tussen de bergen. Dan komt het volk uit bij Pi-Hachiroth en staat dan voor de Golf van Akaba.

Daar is een groot strand.

Op een oude kaart heet het strand:

In slagorde.



Vers 19

Beenderen.

Stefanus spreekt over de stoffelijke resten van alle zonen van Jakob die worden meegenomen vanuit Egypte.



Vers 20

Etham.

Etham ligt vlakbij de Golf van Akaba. Daar zouden ze, via de oostkust van de Golf van Akaba, de woestijn ingaan om God te dienen.

Ze trokken snel, soms dag en nacht.

Ze hadden al 300 km afgelegd.

In Numeri 33 staan zelfs geen kampen tussen Sukkoth en Etham.



Vers 21

De wolkkolom.

Dat was opnieuw een wonder. Het volk zag met eigen ogen dat God meetrok.

De heerlijkheid van God was in die wolk.

In de nacht was het een vuurkolom en daardoor was er licht.



<