Hoofdstuk 14


Vers 2

Route van Mozes.

Mozes was ooit gevlucht naar Midian.

Toen stak hij het Sinaïtische schiereiland over naar Eilath en ging toen naar het zuiden naar Midian, aan de oostkant van de Golf van Akaba.

Hij hoefde niet dóór de Schelfzee.

God wil met het volk wel dóór de zee. Vandaar dat de route wijzigt in vers 2.


Golf van Akaba.

In 2006 is geograaf Glen A. Fritz gepromoveerd op de Golf van Akaba als de zee van de doortocht. In zijn proefschrift The Lost Sea of the Exodus stelt dr. Fritz dat, Bijbels gezien, de Golf van Akaba de enige kandidaat is voor de Schelfzee. Tevens laat Fritz zien dat tot aan het eind van de Middeleeuwen de Golf van Akaba compleet ontbrak op de landkaarten. Daardoor konden Bijbelgeleerden de Golf van Akaba lange tijd niet associëren met de Schelfzee.


Migdol .

= wachttoren.

De Egyptenaren hadden wachttorens.


Terugkeren.

= omdraaien.

Ze trekken nu niet ten noorden van de Golf van Akaba langs, maar gaan langs de westkust van de Golf naar het zuiden.

Daar volgen ze 85 km de droge bedding van wadi Watir, tussen bergen, zonder zijwegen.

Dan komen ze in Pi-Hachiroth voor de zee, de Golf van Akaba.

Pi-Hachiroth = mond van de kloof.

Er is nu ongeveer 450 Km afgelegd. Daar hebben ze ongeveer 23 dagen over gedaan, want na 1 maand waren ze bij Elim.



Vers 3

Farao zal zeggen...

God zegt van tevoren tegen Mozes wat er nu zal gaan gebeuren.


Gevangen.

Ze zitten nu op twaalf km² strand, Nuweiba.

Op een oude kaart heet het: Nuwayba al Muzzayyinah =wateren van Mozes openen.


Gedenkzuilen.

In 1978 vond Ron Wyatt bij dit strand een gedenkzuil in het water. Rood graniet. Waarschijnlijk door Salomo daar geplaatst.

In 1984 wordt er ook een zuil gevonden aan de overkant.

Ook wagenwielen van strijdwagens zijn daar gevonden en paardenhoeven en schedels. Restanten van de 600 strijdwagens. Vers 7.


1967.

In 1967 trok het Israëlische leger via deze route, maar dan de andere kant op.



Vers 5

Gevlucht.

Er komt informatie bij farao dat Israël NIET naar de woestijn gaat, zoals beloofd was.

Die informatie komt waarschijnlijk vanuit de Egyptische wachttorens.



Vers 6

Hij spande zijn strijdwagen in.

Farao Amenhotep II leidde dus persoonlijk de achtervolging.



Vers 7

Wagens, maar ook ruiters.

Volgens vers 9 gingen er ook Egyptische ruiters mee.



Vers 9

Bij de zee.

Pi-Hachiroth = mond van de kloof.

Die kloof is de droge bedding van Wadi Watir. 85 km lang.

Als men de kloof bij Pi-Hachiroth verlaat, komt men op een groot strand aan de Schelfzee (= Golf van Akaba).

Het is 12 km².

Dat strand heet: Nuwayba al Muzzayyinah = de wateren van Mozes openen.


De Schelfzee ligt bij Edom.

De doortocht was dus niet door de Golf van Suez.


Baäl-Zefon.

Een plaats in Saoedi-Arabië, aan de Golf van Akaba, waar de god van de zee werd vereerd.



Vers 10

Farao dichterbij..

Dan volgt de farao 85 km de droge bedding van wadi Watir, tussen bergen, zonder zijwegen. Zo komen ze achter Israël.



Vers 11

Zij zeiden tegen Mozes.

Ze waren opstandig.

U ons meenam.

Mozes nam hen NIET mee. God leidde hen uit. Ze hebben zoveel wonderen gezien, en nu zijn ze het vertrouwen in God al kwijt.



Vers 13

Wees niet bevreesd.

Mozes sterkte zich in God.

Mozes wist al wat God ging doen. God had het hem gezegd.



Vers 14

De HEERE zal strijden.

God strijdt tegen de Egyptische goden.

Hier strijdt God tegen Rahab, de demon van de zee.

Hier bij de Schelfzee is de enige keer dat er staat dat Israël niet hoeft te strijden. Ook als wij het oude leven achter ons laten, is dat Gods werk. Hij leidt ons uit het "slavenhuis van de zonde". Daarna is het: welkom in de strijd. Na de doortocht moest Israël zelf strijden en God hielp. Vgl. De strijd tegen Amalek.



Vers 15

Wat roept u tot Mij.

In vers 10 riep het volk tot de HEERE.

Niet blijven bidden, maar nu in geloof handelen. Vertrouw op de betrouwbare God.



Vers 16

De Schelfzee.

In 1 Koningen 9:26 lezen we dat Eilath aan de Schelfzee ligt en dat de Schelfzee bij Edom ligt. De Schelfzee is dus de Golf van Akaba. Israël is dus niet door de Golf van Suez getrokken.


Door de zee.

NGB artikel 34 noemt Jezus' bloed onze Rode zee. Daar moeten we doorgaan om van de vijand, de satan, verlost te worden. Zo komen we in de beloofde rust.


Op het droge.

Psalm 106:9 zegt: als door een woestijn.

Droge = jabasa = stevig, hard.


Bijbelse doop.

Ook van de doop is de doorgang door de zee een mooi beeld.

De volgorde:

  1. Weg uit de slavernij van de zonde. Geloof, wedergeboorte en bekering. Schuilen achter het bloed van het Lam, zoals ook Israël deed.
  2. Door de zee = doop. Dan laat je het oude slavenleven achter je. Je laat het zondige leven achter. Israël wordt "begraven" in de zee. Zo wordt ook de gestorven oude mens begraven in het doopwater. Begraven is een definitief afscheid.
  3. Israël komt bij Sinaï en sluit een verbond met God. Ze beloven voortaan met God te leven. De dopeling komt ook omhoog uit het water. Dat is de opstanding met Christus. Romeinen 6:4-6.
  4. Nu volgt een nieuw vrij leven met God.



Vers 19

De Engel van God.

Bij de tocht door de zee ging de wolkkolom NIET voorop, want die ging juist achter het volk om de Egyptenaren op afstand te houden. De Engel van de HEERE was in die wolk. Die wolk was aan de kant van de Egyptenaren donker en aan de kant van Israël licht.

In Hebreeen 11:29 staat dat ze in geloof door de zee gingen.

Dat staat ook in Exodus 14:31, maar toch bleken velen ongelovig en kwamen nooit in Kanaän.


Heel bijzonder!!

De wolk stond in de ingang van de kloof. Juist op die plaats is nog steeds iets onverklaarbaars te zien.

Zand en rotsen zijn daar samengesmolten tot een soort beton. Verderop is er gewoon los zand.



Vers 20

De wolk.

De wadi Watir, waar Israël 85 km door trok, eindigt bij Pi-Hachiroth. Links en rechts bergen en er zijn geen zijwegen.

De wolk gaat staan in die droge wadi, in de mond van de kloof, en sluit het hele dal zo af.

Zo kan farao niet bij Israël komen.

Israël is op het strand Nuweiba aan de Golf van Akaba.


Bijzondere vondst.

Op die plaats, waar de wolk stond, zijn het zand en de rotsen tot één massa aan elkaar gesmolten. Dat was de plaats waar de vuurzuil van God bleef om de Egyptenaren tegen te houden. Nergens anders is dit fenomeen te zien (op andere plaatsen is het zand gewoon los), en niemand heeft er een verklaring voor.



Vers 21

Waar was de Schelfzee?

  1. In 1 Koningen 9:26 staat dat de Schelfzee in Edom ligt. Dan is de Schelfzee de Golf van Akaba.
  2. In 1 Koningen 9:26 staat dat Eilath aan de Schelfzee ligt. Dan is de Schelfzee de Golf van Akaba.
  3. Het volk gaat door de Schelfzee, op reis naar de berg Sinaï in Midian. Daar had Mozes met God gesproken in de brandende braamstruiken. Exodus 3:12. Midian ligt in Arabië, aan de oostkant van de Golf van Akaba.
  4. Zie verder aantekening bij Deuteronomium 1:2
  5. Bij Pi-Hachiroth aan de westkust van de Golf van Akaba ligt Nuweiba . Daar ligt 33m onder water ook een "landrug" onder het wateroppervlak. Het water daar wordt ook genoemd: wateren van Mozes. Daar vond Ron Wyatt ook veel wagenwielen van strijdwagens. Ook een wiel met vergulde of gouden spaken. Was dit van de strijdwagen van farao?

God gebruikt een middel.

Een storm uit het oosten.

Hier wordt het woord "roeach" gebruikt (wind, geest, adem).

In Exodus 15:8 wordt opnieuw "roeach" gebruikt. Dus die storm was de adem uit Gods neus en niet een natuurverschijnsel.



Vers 22

Na zeven dagen?????

Israël heeft nu al bijna 450 km afgelegd.

Volgens Joodse overlevering was dit 7 dagen na de uittocht, dus op de laatste dag van het feest van de ongezuurde broden.

Die dag moest een féést zijn.

7 Dagen na de uittocht lijkt wel erg onwaarschijnlijk.


600.000 mannen.

Een volk van 30.000 met 30.000 stuks vee doet over de doortocht van 18 km ongeveer 7,5 uur. De totale groep is ongeveer 19 km.


Een volk van 2.000.000 met 2.000.000 stuks vee doet over de doortocht van 18 km ongeveer 203 uur. De totale lengte van deze groep is ongeveer 1000 km.


Zie berekeningen bij:



Vers 25

Wielen zakken weg.

God geeft Israël een stevige ondergrond en de Egyptenaren niet, die zakken in de modder.


God strijdt.

Wat Mozes had gezegd, dat ervaren de Egyptenaren.

De doortocht is niet alleen een wonder, het is een strijd tussen God en Rahab. Ook Egyptenaren merken dat op.

God beroofde de engelvorst Rahab van zijn macht en God maakt een pad. God laat de zee weer terugstorten en de ironie is dat de zee van de Rahab de Rahab (=Egypte of farao) ten onder brengt.


Wielen.

4 of 6-spakige wielen met ijzeren naaf werden daar gevonden in de zee, de Golf van Akaba.



Vers 26

Strek uw hand uit.



Vers 27

Het water tegemoet.

Egyptenaren vluchtten terug naar de kant, maar daar was de watermuur al weg en stroomde het water hun tegemoet.



Vers 30

Farao is dood.

Een dode farao heeft geen recht meer op het volk Israël. Israël is nu vrij en hoeft niet terug naar Egypte.

Op de grafschilderingen van farao Amenhotep II, de waarschijnlijke farao van de uittocht, zie je dode Egyptenaren in het water liggen. Zouden het de verdronken Egyptenaren uit de tijd van Mozes kunnen zijn?

Egyptische monumenten tonen vrijwel nooit eigen nederlagen. Farao’s lieten alleen overwinningen afbeelden.
Het zou dus zeer onwaarschijnlijk zijn dat een farao zijn eigen verdronken leger op tempelmuren laat afbeelden als historische nederlaag.

In de bekende scènes bij Amenhotep II worden de lichamen meestal expliciet als buitenlandse vijanden aangeduid (Aziaten of Nubiërs), niet als Egyptenaren.



<