Hoofdstuk 10


Vers 1

Gods plan met Egypte.

God doet de uittocht in 10 stappen. Dan heeft farao meerdere kansen om toe te geven. Maar... de verharding is nodig, zodat God al Zijn macht kan tonen.

De eerste 3 plagen maakt Israël mee.

De plágen voor Egypte zijn tékenen voor Israël.

Joden moesten dat teken uitleggen aan hun kinderen.



Vers 2

Uitleg bij elk Pesach.

Gods wonderen moeten doorverteld worden en worden uitgelegd aan de kinderen.

God heeft daarmee een doel: ze moeten hun hoop op God stellen.



Vers 4

Morgen sprinkhanen.

Farao kreeg geen bedenktijd.



Vers 5

Het overschot.

Dat was nog een deel van de tarwe en de spelt volgens

De bomen.

Volgens Exodus 9:25 waren de bomen zwaar getroffen door de hagel.

Mogelijk begonnen ze al weer iets uit te lopen, of waren er delen van Egypte gespaard gebleven.



Vers 6

Tot in de huizen.

In de huizen hebben sprinkhanen geen voedsel. Het geeft wel aan dat het over zeer grote aantallen ging.

In 1889 trok er een sprinkhanenzwerm van 5000 Km² over de Rode zee.



Vers 7

De dienaren van farao.

Hier lezen we voor het eerst dat de raadgevers willen toegeven aan de eis van Mozes.



Vers 9

Wie precies?

Niemand en niets zal achterblijven in Egypte.



Vers 10

Vrouwen en kinderen.

Alleen de mannen mogen gaan. Vrouwen en kinderen niet.



Vers 13

Oostenwind.

Het grondwoord is ruach,= wind, adem, geest.

Ruach staat ook in Exodus 10:19 , maar daar vertaalde men westenwind.

God gebruikte een wind om de sprinkhanen in Egypte te brengen en weer weg te voeren.



Vers 14

Hierna nooit weer zo'n grote zwerm.

Wat een ongekende ramp voor Egypte.

Voorbeeld.

In 2020 werd in Kenia een zwerm waargenomen die een oppervlakte van 2.400 Km² besloeg, vergelijkbaar met de grootte van de provincie Flevoland. Elke Km² van zo'n zwerm kan in één dag evenveel voedsel consumeren als 35.000 mensen.

2400 x 35.000 mensen = 84 miljoen mensen.



Vers 15

Gewas vh veld.

Waarschijnlijk ging ook de tarweoogst verloren. Die oogst was begin april.



Vers 16

Gezondigd.

Farao erkent wel zonde, maar berouw ontbreekt.



Vers 19

Westenwind.

Hetzelfde grondwoord werd met "oostenwind" vertaald toen de sprinkhanen kwamen.



Vers 21

Strijd tegen afgoden.

Direct gericht tegen Amon-Re, de zonnegod.

De demonische macht achter farao is Rahab.

Joden moesten deze tekenen uitleggen aan hun kinderen. Dat gebeurde zeker met Pesach.


Duisternis, maart / april.

Mogelijk gaat het hier om zandstormen. Ze heten khamseen of chamsin. Het verlamt het openbare leven in Egypte.

Ze komen in Egypte 2x per jaar voor:

De duur is gemiddeld 3 tot 4 dagen.

Binnen enkele uren kan de temperatuur 20⁰ C stijgen.

Er kunnen windsnelheden van 140 km/uur zijn.



Vers 23

Niemand stond op.

In Exodus 10:21 wordt gezegd dat het een “duisternis was die men kan tasten.”
Dat wijst op:
een zeer dichte duisternis, mogelijk gecombineerd met stof of zand in de lucht
In zo’n situatie:
zie je letterlijk niets, kun je niet veilig lopen, bots je overal tegenaan.
Mensen blijven dan waar ze zijn.



Vers 28

Dreigement.

Is dit een herhaling van vers 10?

"Dan zult ú sterven".

Farao heeft gehoord, wat de tiende plaag inhoudt. Woedend is hij. Het vervolg van dit laatste gesprek staat in:



Vers 29

Niet meer zien.

Waarschijnlijk sprak farao hen toen via boden.

Dat staat ook in

Verdere gesprek.

Het gesprek met farao gaat verder in

In brandende toorn.

In Exodus 11:8 staat: in brandende toorn. Dat slaat waarschijnlijk op farao die heel boos is bij de laatste ontmoeting met Mozes.



<