Hoofdstuk 89


Vers 1

Ethan.

Ethan betekent:

Mogelijk is hij een van de wijzen van Salomo.

In 1 Kronieken 6:33-47 vinden we Heman, Asaf en Ethan naast elkaar. Alle drie zijn Levieten: Heman van Kahath, Asaf van Gersom en Ethan van Merari.

Ethan schrijft in vers 39 t/m 43 over vijanden, een verlaten gezalfde. Wat beschrijft hij? Er zijn meerdere opties.



Vers 2

Chesed.

Het is gebaseerd op een verbond. God had een verbond met David. Door Davids Zoon Jezus stroomt Gods goedertierenheid ook naar de heidenvolken. "Chesed" leidt tot Gods zichtbare daden (bv. de uittocht) of tot vergeving. In vs 29 spreekt God ook van chesed, liefde.

Als je buiten het verbond om om "chesed" vraagt, dan smeek je om genade.

De Septuaginta gebruikt het woord "eleos"= barmhartigheid.


Trouw.

SV heeft: waarheid.


Van generatie op generatie.

Doordat Ethan deze psalm maakte, klinkt Gods lof van generatie op generatie.



Vers 3

Goedertierenheid.

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.


Trouw

SV heeft: waarheid.

Gods trouw zorgt ervoor dat God Zijn beloften zal vervullen.

God is een God van waarheid.


In de hemel zelf.

Gods trouw is onverandelijk vast. Precies de zon en de maan en de sterren vast staan aan de hemel.



Vers 4

Verbond.

Het gaat over het verbond met David. David is de genoemde uitverkorene.

Dat is een eeuwig verbond.



Vers 5

Op Davids troon.

Zedekia was de laatste koning op Davids troon. De volgende koning zal Jezus zijn.

Van generatie op generatie.



Vers 6

Daarom.

Omdat God trouw blijft aan Zijn woord en aan Zijn verbond met David.

Gemeente van de heiligen.

Heiligen zijn mensen die apart gezet zijn voor God.

Hier is dat het Joodse volk.

Ook de gemeente van het NT bestaat uit heiligen. Ware gelovigen dus.

Uw trouw.

Deze trouw van God wordt in deze psalm 7x genoemd.

Dat onderstreept het belang van dit thema.



Vers 7

Machtige vorsten.

Letterlijk:

In Job 38:7 heten ze: kinderen van God.

De aartsengel Michaël heet een vorst.

Ook satan, ooit een aartsengel, noemen we vorst van de duisternis.


De machtigste engelen zijn slecht schepselen. Het zijn dienaren. God zendt hen als Hij wil.



Vers 8

Raad van de heiligen.

(Denk aan: raad van bestuur of raad van state, gemeenteraad)

Die raad bestaat waarschijnlijk uit:

De Joden noemen 7 namen.

In 1 Henoch 20 staan namen van 7 aartsengelen.

  1. Michaël
  2. Gabriël
  3. Uriël
  4. Raphaël
  5. Raguël
  6. Jeremiël
  7. Saraquël (Sariël)

Engelen rondom de troon.

We lezen over zeer grote aantallen engelen die rondom Gods troon staan.

Engelen vóór de troon.

We lezen ook van engelen die vóór de troon staan. Die zien Gods aangezicht, het zijn aangezichtsengelen of aartsengelen. Daar horen bij:

Deze aartsengelen hebben een bevoorrechte positie. Het zijn uitverkoren engelen.

Zij verkeren in het binnenste heiligdom van de hemelse tempel waar Gods troon staat.

Jezus noemt deze engelen.

Ook Jezus spreekt waarschijnlijk over Gods heilige raad in de hemel.

Als Jezus onze naam bij Zijn Vader noemt, dan zijn ook deze 7 uitverkoren engelen daar getuigen van. Ze verblijden zich als een zondaar zich bekeert.



Vers 10

Overmoed van de zee.

De zee is door God geschapen, maar de zee is in de Bijbel ook vaak een vijandige macht.

We moeten God danken dat we niet in de chaos ten onder gaan. De dijken houden het water nog tegen.

Wij zijn als mens zo zwak tegenover de krachten van de zee. Zo is God niet.

Jezus legt ook aan de zee Zijn wil op. Daarmee laat Hij Zijn afkomst zien. Hij is Gods Zoon.

God heerst over de volken.

De bruisende zee is ook een beeld van de heidenvolken. Ze zijn vijandig tegen God, maar ze moeten Hem gehoorzamen.



Vers 11

Rahab.

Rahab = Egypte.

Het is de engelvorst van groot water, oceaan, Schelfzee, Nijl.

Zo is Rahab ook de engelvorst van Egypte.

De dichter brengt hier de plagen en de uittocht in herinnering. Zo verbrijzelde God de demon Rahab in het verleden.

Zelfs de doortocht door de Schelfzee (Golf van Akaba) was een strijd tussen God en Rahab. God heeft Rahab verbrijzeld, zegt Ethan.

Rahab kan ook de farao zijn. Farao "belichaamt" de engelvorst Rahab.



Vers 12

De aarde is van U.



Vers 13

Tabor.

Een berg in Galilea, dichtbij Nazareth.

Hermongebergte.

Gebergte in het noorden van Israël.



Vers 15

Gerechtigheid en recht.

Ook David regeerde het volk in recht en gerechtigheid. Zo leek hij op Zijn God.

Trouw.

De SV vertaalt: waarheid.


Gaan vóór Zijn aangezicht.

Goedertierenheid en trouw zijn als herauten.

Ook gerechtigheid is zo'n heraut.



Vers 16

Geklank van de bazuin.

Op het bazuinenfeest

wordt de bazuin heel vaak geblazen.

Het is een oproep tot bekering. Tien dagen scheiden nog van de verzoendag op 10 Tisri.

Het moet, vóór de verzoendag, goed zijn tussen jou en God, maar ook tussen jou en de naaste.


Wandelen in Uw licht.

Wie naar het geluid van de bazuin luistert en de oproep tot bekering ter harte neemt, zal in Gods licht wandelen.


Laatste bazuin.

Het bazuinenfeest wordt afgesloten met een "laatste bazuin".

Ook dit najaarsfeest van God zal door Jezus vervuld worden, precies zoals Hij de vier voorjaarsfeesten vervulde.

Zeer waarschijnlijk wordt het bazuinenfeest vervuld bij de opstanding en opname van de gelovigen. Ook dan lezen we van de bazuin.



Vers 17

Zij verheugen zich.

Wie door geloof en bekering weer in vrede met God leeft, leeft in relatie met zijn / haar Vader. Hij is Abba, Papa voor hen.

Zij verblijden zich in God. Dat is ook de opdracht voor gelovigen.

Uw Naam.

Gods Naam is God zelf.

Wie Gods Naam lastert, lastert God.

Wie Gods Naam prijst, prijst God.


Door Uw gerechtigheid verheven.

Door onze ongerechtigheid zijn we diep gevallen. Dat is de zondeval.

Maar Jezus kwam om alle gerechtigheid te vervullen.

Jezus kwam om de wil van Zijn Vader te doen. Dat is Zijn gerechtigheid.

Als we in Jezus geloven, worden we door Zijn gerechtigheid uit onze diepe zondeval verlost en tot kinderen van God verheven.



Vers 18

Hoorn.

Een hoorn is het beeld van kracht.

Israël zal weer uit de ellende opstaan door het welbehagen van God.



Vers 19

Onze koning.

David werd door God gekozen.

God maakte een verbond met hem. Tot in eeuwigheid zal er een Nakomeling van David regeren.

Messiaans.

De Heilige van Israël is zeker de grote Zoon van David, Jezus.

Onder Zijn regering zal Israël veilig wonen.

Hij zal Israël tot een machtig volk maken, Israël als een leeuw tussen schapen.

Zo wordt hun hoorn verheven. (vs 18)



Vers 20

Visioen.

Waarschijnlijk de boodschap van Nathan aan David dat God tot in eeuwigheid een Zoon op Davids troon zal geven.

Uw heilige.

Een heilige is iemand die voor God apart gezet is.

Hier is dat David. God zette hem apart om koning te zijn.


Het ziet mogelijk ook verder naar Jezus. Ook Hij is een Heilige en apart gezet voor de taak om Gods wil te doen en alle gerechtigheid te vervullen.


Een held van hulp voorzien.

Al voordat David koning was, kende het volk hem als een held.

God hielp hem tegen Goliath.

God hielp tegen de Filistijnen.

Het volk zong: hij heeft zijn tienduizenden verslagen.



Vers 21

David gezalfd.

David werd 3x gezalfd.

Door Samuël in Bethlehem.

Door de stam van Juda in Hebron.

Door heel Israël in Jeruzalem.

Bovendien was hij met de Heilige Geest gezalfd.

Toekomstige David.

Hier lezen we ook eindtijdprofetie.

Als Jezus koning wordt, heet Hij in de bijbel ook wel David.

Jezus is wel met de Heilige Geest gezalfd, direct na Zijn doop.

Van een zalving met de heilige olie lezen we niets, maar gebeurt dan waarschijnlijk als Hij koning wordt.



Vers 22

Mijn hand en Mijn arm.

Het gaat over Gods macht die David of een nakomeling van David ondersteunt.

God staat garant dat David zijn taak goed kan uitvoeren.

Hier kun je ook profetie over de Messias lezen.

In vs 27 zegt Hij: Mijn Vader.

Dat wordt tegen God gezegd. Dat is echt een woord voor Jezus.



Vers 23

Geen onrechtvaardige...

Letterlijk:

De grote tegenstander van Jezus is in de eindtijd de antichrist. Hij is het "zaad van de slang".

Paulus noemt hem

2 Thessalonicenzen 2:3.



Vers 24

Ik zal zijn tegenstanders verpletteren.

God heeft Jezus alle macht gegeven in hemel en op aarde. Nú zit Jezus in de troon van Zijn Vader, totdat...

Als Jezus wederkomt zal God elke vijand onder Zijn voeten geven.



Vers 25

Zijn hoorn wordt opgeheven.

De macht van David of van een nakomeling zal toenemen.

Het zal zeker voor Jezus gelden.



Vers 26

De hand ergens opleggen.

Dat betekent: iets in bezit krijgen.


Messiaans.

Jezus zal regeren van de zee tot de zee en van de rivier (Eufraat) tot de einden van de aarde.



Vers 27

U bent Mijn Vader.

Dat kan alleen Jezus zeggen en degenen die in Jezus geloven. Jezus wordt hier bedoeld.



Vers 28

Toekomstperspectief.

Duidelijk Messiaans.

Jezus, de grote Zoon van David, wordt de

Overste van de koningen van de aarde.

Eerstgeborene.

Jezus heet ook de Eerstgeborene. Hij is de Eerstgeborene uit de doden.

God hád al een eerstgeborene. Dat was Israël.

God maakt Jezus tot eerstgeborene. Dat is:



Vers 29

Tegenover hem.

Eeuwig verbond.



Vers 30

Zijn troon is eeuwig.

De engel Gabriël belooft dat ook aan Maria.

Davids troon stond in Jeruzalem, dus de troon van Jezus ook. Hij zal als Vredevorst regeren in het vrederijk. Jezus heet ook "Mijn Knecht David".

Hemel.

Ook in de oudheid was de hemel hét beeld van eeuwig bestaan.



Vers 31

Als zijn kinderen.

Dat zijn nakomelingen van David, koningen over het 2-stammenrijk .



Vers 34

Niet wegnemen.

Wel straf, indien nodig, voor Davids opvolgers, maar geen einde aan de trouw van God aan Zijn verbond met David.

Dat verbond is eeuwig.



Vers 35

God houdt Zijn verbond met David.

Wat God sprak doet Hij!

Onze hoop vestigt zich op Gods beloften. Gods beloften maken ons levend.



Vers 36

Gezworen bij Mijn heiligheid.

God zweert bij Zichzelf. Er is immers niemand hoger dan Hij.

Gods belofte en Gods eed.

Hebreeen 6:17-18 noemt belofte en eed van God twee onveranderlijke dingen, waardoor wij zekerheid hebben en hoop en troost.



Vers 37

Zijn Nageslacht.

Hier gaat het over Jezus, de Vredevorst zoals Hij genoemd wordt in

Troon tot in eeuwigheid.

Dit kan alléén betrekking hebben op Jezus.



Vers 38

De getuige.

Dat is de maan.

Het verbond van dag en nacht kunnen wij niet doorbreken. Dat is even vast als het verbond met David.



Vers 39

Verstoten.

Veel onbegrip bij de dichter. Er klinken verwijten naar God.

Het lijkt dat God Zijn woord niet nakomt. Rehabeam is door farao Sisak verslagen. Is Egypte (Rahab) dan toch sterker?

Of... schrijft de dichter ná de dood van koning Zedekia en na de verwoesting van Jeruzalem en de tempel?

Dan is er niemand meer op de troon van David.

Hoe kan dat?



Vers 40

Heeft God Zijn verbond teniet gedaan?

Zo lijkt het voor de dichter.

Maar dat is absoluut onmogelijk bij God.



Vers 41

Vestingen in puin.

Dit gebeurde toen koning Zedekia overwonnen werd door Nebukadnezar. Israëls andere vestingen werden ook puinhopen.



Vers 42

Voorbijgangers.



Vers 43

U hebt de vijand geholpen.

God wordt als oorzaak aangewezen.

Alles is nu precies tegengesteld geworden dan wat God beloofde aan David in

Hoelang gaat dat duren?

Laat God toch bedenken hoe kort een mensenleven is.



Vers 45

Zijn luister doen ophouden.

Het gaat over de nederlaag van een nakomeling van David.

Hoe zit dat met Gods verbond?



Vers 46

Zijn jeugd verkort.

Als deze psalm is uit de tijd ban Zedekia, dan klopt het dat zijn jeugd werd verkort. Zedekia stierf betrekkelijk jong.



Vers 48

Argumenten naar God toe

  1. Met de nadruk op de menselijke eindigheid, pleit de dichter voor een snel ingrijpen van God. Hij wil dat de vergelding aan deze zijde van het graf plaats vindt.
  2. Waar is de trouw die God David beloofde?
  3. Denk HEERE aan de spot die de koning (uw knecht) ondergaat.



Vers 49

Graf.

=sheool = dodenrijk.

In het Hebreeuws is "graf" qeber qibrâh.


Wie bevrijdt zich van het graf?

Er zijn veel mensen die geen graf hebben. Ze werden opgegeten, verbrand, opgelost. Het kan hier dus NIET gaan over het graf.

Het gaat over het dodenrijk. Daar kwam elke Oudtestamentische overledene. En daar komen nu nog alle gestorven ongelovigen.


Voorbeeld 1.

Iemand die verdrinkt of opgegeten wordt, "redt " zijn lichaam van het graf (qeber qibrâh) , maar redt zich niet uit sheool = dodenrijk. Zijn geest gaat naar het dodenrijk.


Voorbeeld 2.

Abraham wordt verenigd met zijn voorgeslacht, maar dat gebeurde niet in de spelonk van Machpela. Daar was alléén Sara begraven.

Dat gebeurde wél in het dodenrijk.


Voorbeeld 3.

Ismaël werd niet bij zijn vader Abraham begraven. Ook niet bij familieleden in Ur. Toch werd hij verenigd met zijn voorgeslacht.

Dat voorgeslacht was in het dodenrijk =sheool.


Voorbeeld 4.

Jakob sterft en wordt verenigd met zijn voorgeslacht. Dat gebeurde niet toen hij meer dan 70 dagen later in de spelonk van Machpela werd begraven.

Die vereniging met het voorgeslacht gebeurde in het dodenrijk, direct ná zijn overlijden.

Voorbeeld 5.

Aäron ligt echt alléén in een graf op de berg Hor.

Zijn voorgeslacht was in het dodenrijk. Daarmee is hij verenigd.

Voorbeeld 6.

In Genesis 37:35 denkt Jakob dat Jozef is verscheurd en opgegeten. Jozef heeft dus géén graf volgens Jakob. De geest van Jozef zal zeker naar het dodenrijk (= sheool ) zijn, volgens Jakob. Daar zal ik hem weer ontmoeten, zegt Jakob.


Voorbeeld 7.

Mozes werd verenigd met zijn voorgeslacht.

Die vereniging met het voorgeslacht gebeurde niet in zijn graf. Dat graf ligt ergens in Moab en niemand weet waar. In dat graf ligt Mozes alléén.

De vereniging met het voorgeslacht gebeurde in sheool, het dodenrijk.


In de Bijbel heet het dodenrijk ook gevangenis.

Job spreekt van een verzamelplaats, een huis van ontmoeting, voor iedereen.

Daar zijn de geesten van de overledenen, totdat Jezus hen, ná Zijn opstanding, meeneemt naar het paradijs in de hemel.

Christus en dodenrijk.

Christus verlost de gelovigen uit het dodenrijk:

Ziel.



Vers 50

Concreet antwoord op deze vragen van verbijstering.


Paulus getuigt vanuit Psalm 89:21 dat God David gevonden had, uit wiens geslacht Hij Jezus liet voortkomen.

Schriftgeleerden hoorden hier voor het eerst een concreet antwoord op al de vragen van Psalm 89.



Vers 51

Denken.

Denken houdt meer in dan "denk aan ons". Het vraagt aan God: Kom in actie.



Vers 53

Loven.

Al zijn de vragen en problemen niet opgelost, er komt een oplossing. Daarom God loven!


Einde van het 3e psalmboek.



<