Heman.
Machalath Leannoth.
De betekenis van deze woorden wordt verschillend uitgelegd.
Psalm 53:1.
Christus moest door lijden tot de heerlijkheid gaan.
De Rots Jezus werd geslagen en daarna gaf Hij levend water.
Ook voor ons als gelovigen geldt dat we door lijden tot heerlijkheid komen.
Donkerste klaagzang.
Zelfs tot aan het eind geen straaltje licht in de psalm.
Alleen in dit vers "God van mijn heil". Het gevoel is weg, maar het geloof niet.
Deze God had altijd geholpen, maar nu antwoord deze trouwe God niet. Dat maakt het nog donkerder.
Messiaans.
Psalm 88 wordt vaak gezien als een Messiaanse psalm; het klagen van de Borg Jezus.
Overdag en 's nachts.
Er is dus een gedurig gebed.
Want...
Heman schrijft hier de reden van zijn gebed.
Hij wordt verzadigd van ellende. Verzadigd, er kan niets meer bij.
Graf.
=sheool, dodenrijk.
Dit is nú het verblijf van de geesten van de ongelovige overledenen. Onder het OT waren daar álle overledenen. Het dodenrijk is diep in de aarde.
Zie aantekeningen bij
In vers 6 staat ook "graf", maar wel een ander Hebreeuws woord. Daar staat qeber. Dat is de graftombe of de grafspelonk.
In de kuil neerdalen.
Heman rekent zichzelf als ten dode opgeschreven.
Graf.
Qeber (qeber qibrâh)
Hier betekent het waarschijnlijk een massagraf. Niemand denkt meer aan hen.
Wie in het graf ligt, wordt door God niet meer gered.
Net als gesneuvelden.
Gesneuvelden komen in een massagraf. Niemand weet dan meer van de dode af. Het is een oneervolle dood.
Afgesneden van Uw hand.
God denkt niet meer aan hen.
Na Jezus' opstanding is het voor een overleden gelovige anders. Hij zal in het paradijs in de derde hemel, God loven.
Onderste kuil.
Beeld van de diepte van de zee. Alle ellende gaat als golven over de dichter heen.
Het dodenrijk wordt beschreven, een rijk van duisternis, in de diepten.
Een kuil wordt voor een goddeloze gegraven.
Heman schrijft over de onderste kuil, de diepste en die is vast voor de grootste goddeloze. Heman zit "diep in de put".
Ú hebt...
In de verzen 7,8,9 verandert Hemans klacht in een aanklacht tegen God.
Uw grimmigheid.
Geen contact met God. De dichter ervaart dat alsof God boos op hem is.
Leunt op mij.
Eigenlijk is het sterker: rust op mij.
Het is vreselijk zwaar.
Mijn bekenden zijn er niet.
Misschien had de dichter wel een ernstige huidziekte. De aanblik was schokkend. Bezoek kwam niet.
Ik ben opgesloten.
Mogelijk zit hij in isolatie.
Ik strek mijn handen uit.
Dit is een gebedshouding.
Retorische vragen.
Het antwoord op deze vragen is: Natuurlijk niet.
Graf en verderf.
"abaddon", dat is waarschijnlijk de afgrond waarover de demon Abaddon (=Apollyon) koning is volgens
Dit is een afdeling van het dodenrijk.
Ook de satan zal in de afgrond worden opgesloten.
Land van vergetelheid.
Daar heerst de duisternis.
Dat is het rijk van de dood.
Onder het OT was lofprijzing alleen mogelijk door levende mensen.
Onder het NT zullen overleden gelovigen God loven in het paradijs, in de derde hemel.
Ik echter...
Heman benadrukt hier de tegenstelling met het dodenrijk.
Hij is nog steeds bij de levenden.
In de morgen.
Heman blijft bidden.
's Morgens vroeg zet hij het gebed van de nacht voort. Dag en nacht bidt hij.
Waarom?
Heman begrijpt Gods weg niet.
Wij als gelovigen weten dat alle dingen meewerken ten goede.
Verstoten.
God verstoot niet, maar het is uitstel van hulp.
Aangezicht verbergen.
Als God Zijn aangezicht verbergt is er géén relatie.
Gods vriendelijk aangezicht geeft vrolijkheid en licht.
Ik ben radeloos.
God verbergt Zijn aangezicht voor Heman. Heman begrijpt niet waarom.
Hij wil leven in relatie met God.
Nu dat niet gebeurt, is hij radeloos.
Zoek jij ook de relatie met God, onze Vader?
Wat maakt Heman radeloos?
Die ellende omringt hem als water. Het zit hem letterlijk "op de huid".
Geen steun van mensen.
Zijn enige gezelschap is duisternis. Zelfs de bekenden brengen geen licht in zijn leven.
Ze zijn ver weg.