Hoofdstuk 80


Vers 1

Op de lelies.

Dat geeft de zangwijs aan.


Asaf.

Deze psalm hoeft niet van Asaf zelf te zijn. Het kan ook een psalm zijn van of voor de Asafieten.

In tijd van Hizkia zong men ook liederen van Asaf, de ziener.




Vers 2

God als Herder.

Als Jakob Jozef zegent, zegt hij dat God een herder voor hem is geweest.

Hier is waarschijnlijk een toespeling op deze tekst van Genesis 48:15.


Jozef.

Israël heet hier Jozef. Hij was de eerstgeborene.

Troont tussen cherubs.

De troon van God is de ark.

Op de ark staan cherubs.

In het Heilige der Heiligen in de témpel stonden ook 2 grote engelen óver de ark.



Vers 3

Efraïm, Benjamin , Manasse.

Dit zijn (klein)kinderen van Rachel.

Benjamin hoorde bij het 2-stammenrijk.

Efraïm en Manasse hoorden bij het 10-stammenrijk.

God wordt gevraagd om het totale volk te verlossen.

Maar...de kortste straf, de kortste ballingschap, zal 70 jaren duren, voorzegt Jeremia.



Vers 4

Terug brengen.

"Herstel ons" is ook een goede vertaling.


Uw aangezicht lichten.



Vers 5

Hoelang?

Hoelang?

Totdat de tijd die Jeremia profeteerde vervuld is.

Uw toorn branden.

Gewoonlijk luistert God naar de gebeden, maar Hij kan ook weigeren vanwege zonden.



Vers 6

Tranenbrood.

Dit geeft de ernst van de situatie weer. Verdriet is "dagelijks voedsel".


Tranen uit een maatbeker.

Dat betekent dat er veel tranen zijn. Er is dus heel veel verdriet.


Maar...dit had God voorzegd, als ze Hem niet zouden dienen.



Vers 7

Smaad en spot.

God had Israël voor deze ellende gewaarschuwd. Dit zou gebeuren als ze Hem niet zouden dienen.

God had dit voorzegd in de vloek van



Vers 8

Breng ons terug.

De profeet Jeremia profeteerde over een ballingschap van 70 jaren.

Misschien moest het volk nog vele jaren wachten op de vervulling van dit gebed om terugkeer.



Vers 9

Wijnstok.

De wijnstok is Israël.

Heidenvolken verdreven.

Deuteronomium 7:1 noemt 7 verdreven volken.



Vers 11

Machtige ceders.

Letterlijk:

De wijnstok Israël was dus enorm groot geworden.



Vers 12

Zee.

Middellandse zee.


Rivier.

Eufraat. Dat is de Eufraat die ten noorden van Israël haar bovenloop heeft.

In Salomo's tijd reikte zijn rijk tot aan dit punt in het noorden.



Vers 13

Waarom?

Dit "waarom" is geen vraag aan God. Het is meer een uitdrukking van verslagenheid.

De reden staat in:

Opmerkelijk dat hier de erkenning van schuld ontbreekt.



Vers 14

Het zwijn.

De Assyriërs o.l.v. Tiglat-Pileser?


Hem uitgewroet.

Israël is weg uit Gods land.



Vers 16

Zoon.

Israël is Gods eerstgeboren zoon.

Israël is geplant als volk voor Gods eniggeboren Zoon, Jezus. Hij wordt de Koning der Joden.

In vers 18 staat Mensenzoon. Zo noemt Jezus zichzelf.



Vers 18

Man van Uw rechterhand.

Vers 18 is Messiaans. Jezus zit aan de rechterhand van Zijn Vader. Hij heeft een naam boven alle naam. Hij heeft de plaats van de hoogste eer.

Door Hem herstelt God uiteindelijk Zijn volk.


De gedachte is dus:

Mensenzoon.

Voor uzelf sterk gemaakt.

Zegen Hem, de Mensenzoon, de Messias. U hebt Hem gesterkt om Uw wil te doen en onze Verlosser te zijn.



Vers 19

Dan zullen wij niet meer afkeren..

Als we in Gods Zoon begrepen zijn, dan zullen we van God nooit meer afkeren.

Bij de wederkomst zal Israël in Jezus de Messias herkennen.

Ze zullen zich bekeren en heel Israël zal zalig worden.


Uw Naam aanroepen.

We zullen u loven en prijzen voor Uw Verlosser.



<