Hoofdstuk 78


Vers 1

Asaf.

Deze psalm hoeft niet van Asaf zelf te zijn. Het kan ook een psalm zijn van of voor de Asafieten.

In tijd van Hizkia zong men ook liederen van Asaf, de ziener.



Vers 2

Verborgenheden.

Het gaat over de grote daden van God uit het verleden.

Daden die wij mensen niet kunnen begrijpen.



Vers 4

Opdracht van God.

In Exodus 10:2 zegt God dat de wonderen, die Hij in Egypte deed, doorverteld moeten worden.

Speciaal bij de pesachmaaltijd werden juist deze wonderen uitgebreid verteld.


Doel.

Dat doorvertellen had een doel:

Waarover wordt verteld?

  1. Gods grote daden waarvoor Hem alle lof toekomt.
  2. Gods kracht.
  3. Gods wonderen.



Vers 5

Een wet.

Letterlijk: tôrâh.

Dat zijn de 5 boeken van Mozes.


Onderwijs uit Gods woord.

Dat is een opdracht, een gebod van God. Onze kinderen moeten weten wie en hoe God is.



Vers 7

4 doelen van het onderwijs in de verzen 7 en 8.



Vers 9

De zonen van Efraïm...

Jongbloed SV plaatst vs 9 tussen haken.

Men vond geen bekende gebeurtenis in de bijbel die dit vers verklaart.

Bovendien lijkt deze tekst wat verdwaald in de context. Vers 10 zou heel goed op vers 8 kunnen volgen.


Gaat het over deze gebeurtenis?

De stam van Efraïm was de stam van de onderkoning Jozef.

Al ver vóór Mozes trok de stam van Efraïm naar Gath om vee te roven, maar dat liep slecht af voor Efraïm.

Vader Efraïm klaagt over het onheil dat hem trof toen een nieuwe zoon Beria werd geboren.

Beria =

Lijn naar Rachab in Jericho??

Een afstammeling van Beria was Jozua, volgens

Beria had een dochter Seëra.

Zij bouwde als "prinses" 3 steden of kastelen in Kanaän. Ze was dus achterkleindochter van Jozef.


Rachab.

In één van de families in Kanaän werd mogelijk Rachab geboren. Haar naam is dan een herinnering aan Egypte = Rahab.

Geen Kanaäniet zou het in zijn hoofd halen om zijn kind zo'n naam te geven, want aan Egypte waren de Kanaänieten schatplichtig. Maar de stam van Efraïm hoorde bij de edelen van Egypte, omdat ze afstamden van de onderkoning.

In de amarnabrieven staat dat steden in Kanaän een Egyptische vertegenwoordiger hadden, de zgn Paka.

Het huis van de Paka was een soort ambassade. De grond van de ambassade was waarschijnlijk niet van Jericho, maar van Egypte. Soldaten van Jericho mochten daar dan niet zomaar naar binnen. In Jozua 2:3 vragen de soldaten van Jericho aan Rachab om de verspieders naar buiten te brengen. Ze deden geen huiszoeking. Het huis stond op een prominente plaats bv. op de stadsmuur.

Was Rachab misschien de weduwe van een Paka? En was ze een bekende van Jozua?



Vers 10

Zij.

Wie zijn "zij?

  1. Het ongehoorzame volk uit vers 8.
  2. De ongehoorzame stam van Efraïm uit vers 9.

Efraïm.

Eerst had Efraïm de leiding.

Dit waren van afkomst de edelen in Egypte, de nakomelingen van de onderkoning Jozef.

Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, was uit Efraïm. Hij was de leider van Israël bij de intocht in Kanaän.

De stam van de eerstgeborene Efraim faalde. Daarna kwam de leiding aan de stam van Juda. (David wordt koning)

Efraimieten waren:

Stamgebied van Efraïm is het hart van Israël. Silo lag daar. Daar stond de tabernakel.



Vers 12

Wonderen.

De tien plagen.


Zoan.

Zoan is een plaats in de Nijldelta. Het heet ook Tanis.



Vers 13

De zee gespleten.

Dit is de Schelfzee waaraan Eilath ligt.

Dat is de Golf van Akaba waardoor Israël trok op weg naar de berg Sinaï die in Midian ligt. (In Saoedi-Arabië).

Bij deze berg sprak God met Mozes vanuit de brandende braambos. Mozes was toen herder in Midian.



Vers 14

Wolk.

Overdag de wolkkolom.

's Nachts de vuurkolom.


Ook dat verschijnsel was een wonder van God en was er 40 jaar lang.



Vers 15

Rots gespleten.

Dat gebeurde in Rafidim.

Massa en Meriba wordt het genoemd om de opstandigheid van het volk.

Massa betekent:

Meriba betekent:

Nog altijd is daar een gespleten rots te vinden.

Dit wonder herhaalde zich bij Kades.



Vers 17

Israël bleef zondigen.

Numeri 20:10.

Numeri 21:7.



Vers 18

Numeri 11:1-4.



Vers 20

Water uit de rots.



Vers 21

Gods toorn laaide op.

Een vuur ontstak tegen het volk.



Vers 24



Vers 25

Brood van de machtigen.

De machtigen zijn de engelen.

Panis angelicus = brood van de engelen.

Brood dat afkomstig is van de machtigen.



Vers 26

De wind.

D.m.v. de wind voerde God de kwartels aan. Toen hadden de Israëlieten vlees.



Vers 27

Kwakkels, kwartels.

God gaat in op de uitdaging van vers 20. Hij stuurt kwartels.



Vers 31

Besten.

Dat kan slaan op jongeren, sterke mensen.



Vers 32

Ondanks dit alles.

Toch bleven ze ongelovig en vertrouwden niet op God.



Vers 33

Hun dagen vergaan.

Ieder, vanaf 20 jaar, zal in de woestijn sterven.

Verschrikking, paniek.



Vers 34

Wanneer Hij hen doodde...

Als God een opmerkelijke straf stuurde, dan riepen ze weer tot God, maar het was

geen echte bekering.

Maar...zelfs na de opzienbarende dood van Korach, Dathan en Abiram kwam het volk nog weer in opstand.



Vers 36

Ze logen tegen God.

Geen echte bekering.


Volgens Masoreten is dit de middelste tekst van het psalmenboek (2524 verzen). Volgens de Talmoed is het vs 38. (2527 verzen).



Vers 37

Niet trouw.

Het huwelijksverbond tussen God en Israël was bij Sinaï gesloten.

Al snel, door een gouden kalf te maken, verbrak Israël het verbond.

40 jaren heeft God verdriet gehad van dit geslacht.



Vers 38




Vers 41

Telkens weer.

God klaagt: veertig jaren heb Ik verdriet van hen gehad.

En...het werd alleen maar erger.



Vers 42

Tegenstander.



Vers 44

Rivier wordt bloed.



Vers 45

Steekvliegen.

Kikkers.

Deze plagen waren niet alleen hinderlijk; ze hadden ernstige gevolgen voor Egypte.

1. Vernietiging van het dagelijks leven.
De steekvliegen en kikkers drongen overal binnen:
in huizen
in voedsel
in werkplaatsen
Het normale leven werd ontwricht. Werken, eten en wonen werd bijna onmogelijk.
2. Schade aan landbouw en voedsel
De plagen zorgden voor:
vervuiling van voedsel
aantasting van voorraden
verstoring van landbouw en waterbronnen
Dit droeg bij aan honger en economische schade.
3. Gezondheidsproblemen
Steekvliegen (mogelijk een soort bijtende vliegen of muggen) konden:
ziekten verspreiden
mens en dier voortdurend steken
Dit veroorzaakte pijn, infecties en uitputting.



Vers 46

Sprinkhanen.



Vers 47

Hagel.



Vers 49

Veel verderfengelen.

In de SV staat:



Vers 50

Veepest.



Vers 51

Eerstgeborenen sterven.



Vers 53

De Egyptenaren kwamen om in de zee.



Vers 54

Heilig grondgebied.

Hier gaat het over Gods heilige berg.

Maar het gaat ook over het hele land. Ook dat wordt heilig genoemd.

Heilig =



Vers 55

Hij verdreef de volken.

Deuteronomium 7:1 noemt 7 volken.


Verdeling van het land.



Vers 56

Israël tergde God.

Dat begon al direct ná de dood van Jozua.

Het Richterenboek staat er vol van.



Vers 57

Een bedrieglijke boog.

Dat is een boog waarmee men niet nauwkeurig kan schieten. De pijlen missen hun doel.

Zonde doen = je doel missen.



Vers 58



Vers 60

God verliet Silo.

Dat was ttv Eli.

De ark werd meegenomen door de Filistijnen.

Tijdens het leven van Samuël en koning Saul is de ark niet in de tabernakel.

God kiest een andere plaats voor Zijn ark, Sion volgens vers 68.

Maar dat is pas in de tijd van David.


Veel later verlaat God ook de tempel. De heerlijkheid van God vertrekt naar de Olijfberg.

Bij de wederkomst van Jezus keert ook de heerlijkheid van God weer terug naar Sion.



Vers 61

Zijn macht.

Is dat de ark die in handen van de Filistijnen kwam?



Vers 62

Hij leverde Zijn volk over.

Volgens 1 Samuel 4:10-11 sneuvelden er 30.000 Israëlieten toen de ark geroofd werd door de Filistijnen.

Ook Hofni en Pinehas, de priesters, sneuvelden.



Vers 64

Hun priesters.



Vers 66

Hij sloeg Zijn tegenstanders.

Die tegenstanders waren de Filistijnen die de ark geroofd hadden.

Ze werden ook verslagen door Simson, Saul en David.



Vers 67

God verwierp Jozef, Efraïm.

Efraïm was de leidende stam.

Dat wordt anders.

Juda wordt, ttv. David, de leidende stam.

Het godsdienstig centrum wordt Sion. Daar zet David een nieuwe tabernakel met daarin de ark. Daar bouwt Salomo de tempel.



Vers 68

Sion, Gods berg.

Daar wordt ook Jezus koning over Israël.



Vers 69

Zijn heiligdom.

De tempel.



<