Jeduthun.
Psalm 39:1.
Psalm 62:1.
Asaf.
Deze psalm hoeft niet van Asaf zelf te zijn. Het kan ook een psalm zijn van of voor de Asafieten.
In tijd van Hizkia zong men ook liederen van Asaf, de ziener.
Indeling.
Troost.
Als God verhoort is dat troost.
Weigerde getroost te worden.
De dichter wil heel graag vertroost worden.
Maar... zijn ziel wordt niet vertroost.
Kermen.
Hij kermt over Gods afwezigheid.
Ik overdacht...
Vroeger hoorde God toch ook, toen hielp Hij toch!
Waarom nu niet?
Wat zijn dit voor vragen?
Goedertierenheid.
Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.
HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.
Wat krenkt de dichter?
De dichter gaat hier ver. Hij suggereert misschien dat God onbetrouwbaar is.
Hij krijgt geen teken in het heden
Daarom gaat de dichter terug kijken in het verleden.
Ook daar geen zichtbaar teken meer. De zee laat geen pad meer zien. We hebben nog wel Gods woord: lettertekens.
Een andere weg.
De dichter weet zeker dat God niet verandert en dat Zijn beloften niet veranderen. Daarom slaat hij nu een andere weg in. Hij gaat Gods grote daden in het verleden overdenken.
Zo was God en zo is Hij nog.
HEERE.
Hier staat "Jah".
Deze verkorte vorm van JHWH staat ook in
Hier, in Psalm 77, gaat het ook over Gods grote daden bij de uittocht.
Gods macht bekend bij de volken.
Jozef.
De wateren beefden.
Hier staat meer dan in het verhaal van de uittocht.
Misschien gaat het hier over het verblijf bij Sinaï.
Of over een grote verlossing in de Richterentijd, zoals tijdens Debora en Barak.