Hoofdstuk 63


Vers 1

In de woestijn van Juda.

Deze woestijn ligt in het zuiden.

In vs 12 staat "koning". Mogelijk is deze psalm uit de tijd dat David vluchtte voor Absalom.

In de oude kerk begon de zondag met deze psalm.

Psalm 42 en 43 horen hier bij. Zie vers 2.



Vers 2

Ziel.

Dat is "persoon" of "ikzelf".

Ziel en lichaam is de totaliteit van de mens.


Zonder water.

God is de Levensbron.

David kan Zijn God niet missen. Er moet relatie zijn.



Vers 3

Het heiligdom.

David maakte een nieuwe tabernakel.

In Psalm 28:2 roept David tot God die woont in het binnenste heiligdom, dus in het Heilige der Heiligen volgens

Die afdeling was er alléén in de tabernakel, en pas ná David, ook in de tempel.

In de oorspronkelijke tabernakel (in Silo en later in Nob) stond de ark niet meer sinds Hofni en Pinehas de ark eruit hadden gehaald.



Vers 4

Goedertierenheid.

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.

Beter dan het leven.

De liefde van God gaat al het goede van ons bestaan te boven.

Daarom...lofoffers brengen aan God.



Vers 5

Handen opheffen.

Dat is een gebedshouding.



Vers 8

Schaduw van Uw vleugels.

Daar is David veilig, zoals een kuiken bij de hen. Dan is God dichtbij.


Talliet = gebedsmantel.

Daaraan zitten de tsitsiet, de kwastjes, op elke hoek.

In elk kwastje zit één blauwpurperen draad.

Wie de kwastjes ziet, moet aan Gods geboden denken.

Kanafim = hoeken van de gebedsmantel.

In Maleachi 4:2 is het woord "hoeken" vertaald met "vleugels". Onder Zijn vleugels zal genezing zijn.

In Markus 5:27 gelooft een vrouw dat Jezus de " Zon der gerechtigheid " is en pakt Zijn vleugel. Ze vindt genezing.



Vers 10

Laagste plaatsen.

Daar is sheool, het dodenrijk.

De goddelozen blijven daar tot aan het oordeel voor de grote witte troon in

Ons leven verwoesten.

De woorden ”tot verwoesting” zijn een vertaling van het Hebreeuwse ”la-shoah”.

In de Vulgata staat als vertaling voor "brandoffer" het woord holocaust.

Maar hoe kunnen we de moord op zes miljoen Joden als een brandoffer zien. De Joden gebruiken liever het woord shoah = verwoesting.



Vers 11

Vossen.

Beter : jakhals

Jakhalzen zijn aaseters. Ze komen op slagvelden.



Vers 12

De koning.

David noemt zich hier koning.

Dat kan een aanwijzing zijn voor de tijd van het ontstaan van deze psalm.


Hem.

Dat kan ook slaan op David. Wie hem (=David) trouw zweert, zal zich gelukkig prijzen. God is aan de kant van David. God rekent af met de leugenaars en ontrouwen.



<