Hoofdstuk 62


Vers 1

Jeduthun.

Dat is één van de dirigenten van David.

Hij heet ook wel Ethan.



Vers 2

Mijn ziel is stil.

Er is innerlijke rust.

Vrede met God.

Mijn ziel = ik.

Dat stil zijn heeft alles te maken met Davids verwachting die op God gericht is.

Van Hem is mijn heil.

Heil = yeshû‛âh.

Daarin herkennen we de naam Jezus, onze Heiland.



Vers 3

Zelfde tekst als vers 7.



Vers 4

U zult zijn als een instortende muur.



Vers 5

Huichelaars.

Wat de vijanden zeggen staat haaks op hun daden.


Zij beraadslagen...

Ziet dit misschien op Achitofel die Absaloms raadgever werd?

Bathseba, de vrouw van Uria, met wie David overspel pleegde, was de kleindochter van Achitofel.

David ruïneerde haar huwelijk en maakte haar weduwe door haar man te laten vermoorden.

Na deze vreselijke zonden koos Achitofel de kant van Absalom.

Van zijn hoogte afstoten.

De vijanden willen David van de troon stoten.



Vers 7

Herhaling van vers 3.



Vers 8

God is onze Toevlucht.

Voor ieder die tot God de toevlucht neemt, geeft God rijke beloften.

Op Gods beloften richt ons geloof zich. God maakt Zijn woorden waar.



Vers 9

Oproep aan het volk.

David doet een oproep aan zijn volk: vertrouw op God. Zijn persoonlijke relatie met God houdt David vóór aan anderen.



Vers 10

Eenvoudigen.

Letterlijk:


Aanzienlijken.

Letterlijk:



Vers 11

Vermogen.

De rijke jongeling stelde er zijn hart op rijkdom.

Rijken gaan met moeite binnen in het koninkrijk der hemelen.



Vers 12

Sla wel acht op het spreken van God.



Vers 13

Goedertierenheid.

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.

Ieder vergelden.

Indirecte oproep om rechtvaardig te leven. God beloont of God straft.

In deze psalm rekent David erop dat God hem zal vergelden, het voor hem zal opnemen.





<