Richt niet te gronde.
Psalmen 57, 58, 59 werden op dezelfde wijs gezongen. Het de melodie van een toen bekend lied.
Saul vervolgt David.
Sterke mannen.
Word wakker.
Het lijkt of God slaapt en zich zo verborgen houdt.
God slaapt niet.
Heidenvolken.
"Goy" staat er.
Dat zijn heidenen.
Maar... hier gaat het om Israƫlieten.
Dit zijn echter geen godvrezende Israƫlieten. Ze gedragen zich als heidenen.
God zal Mij helpen.
God liet David tot koning zalven. God zal Zijn werk zeker afmaken. Daar vertrouwt David op.
Dood hen niet.
Om didactische reden moet God de vijand niet onmiddellijk doden. Het volk mag de overmacht van God niet vergeten. "Werp hen neer" = verneder hen.
Daarna moet de vijand rondzwerven en uiteindelijk toch gedood worden.
David had met veel onrecht te maken.
Hij legt het in Gods handen.
Heerser in Jakob.
Alle volken zullen weten dat God op aarde heerst. Hij laat het onrecht niet bestaan. Dit ziet ook op Jezus op Davids troon.
David herhaalt de woorden uit vs 7. Hij ziet zijn benarde situatie weer.
David tekent de vijanden hier in een schrijnende toestand.
Lofprijzing.
God leeft en helpt. David komt tot lofprijzing.