Hoofdstuk 59


Vers 1

Richt niet te gronde.

Psalmen 57, 58, 59 werden op dezelfde wijs gezongen. Het de melodie van een toen bekend lied.

Saul vervolgt David.



Vers 4

Sterke mannen.



Vers 5

Word wakker.

Het lijkt of God slaapt en zich zo verborgen houdt.

God slaapt niet.



Vers 6

Heidenvolken.

"Goy" staat er.

Dat zijn heidenen.

Maar... hier gaat het om Israƫlieten.

Dit zijn echter geen godvrezende Israƫlieten. Ze gedragen zich als heidenen.



Vers 11

God zal Mij helpen.

God liet David tot koning zalven. God zal Zijn werk zeker afmaken. Daar vertrouwt David op.



Vers 12

Dood hen niet.

Om didactische reden moet God de vijand niet onmiddellijk doden. Het volk mag de overmacht van God niet vergeten. "Werp hen neer" = verneder hen.

Daarna moet de vijand rondzwerven en uiteindelijk toch gedood worden.



Vers 13

David had met veel onrecht te maken.

Hij legt het in Gods handen.



Vers 14

Heerser in Jakob.

Alle volken zullen weten dat God op aarde heerst. Hij laat het onrecht niet bestaan. Dit ziet ook op Jezus op Davids troon.



Vers 15

David herhaalt de woorden uit vs 7. Hij ziet zijn benarde situatie weer.



Vers 16

David tekent de vijanden hier in een schrijnende toestand.



Vers 17

Lofprijzing.

God leeft en helpt. David komt tot lofprijzing.



<