Hoofdstuk 58


Vers 1

Richt niet te gronde.

Psalmen 57, 58, 59 werden op dezelfde wijs gezongen. Het de melodie van een toen bekend lied.



Vers 2

Verschil.

In psalm 50 en psalm 82 is God aan het woord. Hier, in psalm 58, echter een mens.

Onrechtvaardige daden van de goden (= rechters) worden zichtbaar in het slechte handelen van invloedrijke mensen.


Raad van rechters.

In de Masoretische tekst staat "elem", volstrekt onbegrijpelijk.

Waarschijnlijk moeten we "elim" lezen, dus goden. Goden zijn b.v. hooggeplaatste personen.



Vers 3

Goden.

Het gaat om demonen achter invloedrijke mensen.

Negatieve beïnvloeding lees je ook in



Vers 4

Nu een overgang naar de invloedrijke mensen. Ze zijn vervreemd van God of van het goede.



Vers 5

Dove slang.

Slang is beeld van het kwaad.

Zelfs slangenbezweerders kunnen deze slang niet onder controle krijgen. Slangen waarbij de controle mislukte noemde men "dove slangen". Men had hen gif willen afnemen als ze in een verdovingstoestand waren.



Vers 6

Niet willen luisteren.

Zoals de slang niet wil luisteren naar de slangenbezweerder, zo willen deze goddelozen niet luisteren naar God.



Vers 7

Breek hun tanden.

Als de slang zich niet laat bezweren, moeten de giftanden eruit.

Tanden zijn gevaarlijke wapens.

David vraagt of God de gevaarlijke vijanden wil ontwapenen.



Vers 8

Smelten als water.

Water kan niet smelten.

Het kan wel verdampen of weglopen.

Laat de vijand verdwijnen zoals water dat wegloopt.

Maak de wapens van de vijand nutteloos zoals veel te korte pijlen.



Vers 10

Voordat de kookpotten..

Het gerecht in de kookpot is nog nauwelijks warm, of de brandende takken worden weggeblazen of uitgeblazen.

Zo komt er ook niets van de beraamde plannen van de vijanden terecht.



Vers 11

Verblijden over de wraak?

Spreuken 24:17-20 zegt dat we ons NIET moeten verblijden als onze vijand valt.

Spreuken zegt ook waarom je dat niet moet doen.

Over de val van een persoonlijke vijand mag men zich niet verblijden, maar wel over de val van een openbare vijand.

Het is Gods wraak, een krachtig beeld van de ondergang van de goddelozen. Zij bedreven geweld en zullen zo ook vergaan.


De rechtvaardige verblijdt zich.

In Openbaring 6:10 lezen we van de martelaren onder het altaar. Ze bidden om Gods wraak over de goddelozen. Dat kan dan ook, want ze doen dat tijdens de "dag van de wraak".

In Openbaring 16:5 -7 wordt God de dank toegebracht voor Zijn rechtvaardige wraak.



Vers 12

Loon voor de rechtvaardige.

1 Corinthiërs 3:12-15 spreekt over Gods loon voor de rechtvaardigen.

We krijgen wel allen een kroon, maar niet allen evenveel loon.


God doet recht.



<