Gouden kleinood.
In de grot.
1 Samuel 22:1 spreekt over de grot van Adullam.
Richt niet te gronde.
Dit is de zangwijs. De psalm wordt gezongen op de wijs van een bekend lied.
God is onze Toevlucht.
Voor ieder die tot God de toevlucht neemt, geeft God rijke beloften.
Op Gods beloften richt ons geloof zich. God maakt Zijn woorden waar.
Zijn werk aan mij voltooien.
God had David tot koning laten zalven. David weet dat God dat ook zal waarmaken.
Wie mij wil opslokken.
Dat is koning Saul. Hij wil David doden.
Goedertierenheid.
= verbondstrouw.
Volgens Van Dale:
Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.
HSV vertaalt het in het NT ook met vriendelijkheid.
Groot gevaar.
De tekst noemt allerlei dingen die erg gevaarlijk zijn. Zo beschrijft David zijn situatie.
Verhef U.
David bidt om grotere manifestatie van Gods heil.
Úw eer.
Uw eer, of uw heerlijkheid is een uitdrukking voor de verschijning van God.
Herhaling.
In vers 12 wordt dit vers herhaald.
Een net en een kuil.
Hier is het net, gespannen over een valkuil, een metafoor voor slechte plannen.
Bereid.
Eigenlijk "standvastig". David heeft vertrouwen en stabiliteit gevonden.
Psalm 108.
De verzen 8 t/m 12 zijn gelijk aan het begin van Psalm 108.
Mijn eer.
Ontwaak.
David wil God lofzingen. Daarom moet hij (zijn eer), daarom moeten ook de muziekinstrumenten vroeg in actie komen.
Zo vroeg, dat ze de dageraad vóór zijn. David laat de dageraad door zijn gezang ontwaken.
Dit gebed staat ook in vs 6.