Een gouden kleinood.
De Psalmen 56-60 heten allemaal "gouden kleinood", een juweeltje.
Ook Psalm 16 draagt deze naam.
Het Hebreeuwse miktam betekent:
Dus blijvend kostbaar.
Zangwijs.
De Septuaginta vertaalt:
Dat kan aangeven, dat in deze Psalm profetisch gesproken wordt over het gelovig overblijfsel van Israël in de eindtijd. De antichrist vervolgt hen. Ze zijn van het heiligdom verdreven.
Duif.
David voelt zich als een duif in de vreemden, op grote afstand van thuis.
Hij verlangt naar huis terug te keren.
Gegrepen in Gath.
Gath was de stad waar Goliath vandaan kwam. David heeft zich gewaagd in het hol van de leeuw.
Twee vijanden.
Ook in de eindtijd heeft het gelovige overblijfsel van Israël vijanden.
Wees mij genadig.
In deze nood pleit David op Gods genade.
Sterveling.
ĕnôš=
Zelfs in zijn nood blijft David de grote kracht van God zien en ziet hij de machtige vijanden toch als zwakke mensen.
Belagers.
Vijanden die de hele dag (vs 2,3,6) op de loer liggen.
Allerhoogste.
Het grondwoord betekent:
Dus: moeilijk te vertalen.
Zijn er vijanden vanuit de hoogte bezig, dus hoogmoedig, met hun strijd?
Ik vrees.
Ook David kende vrees. Hij laat zich niet door de vrees beheersen.
Hij vlucht ermee naar God.
Het vertrouwen is groter dan de vrees.
"Ik" heeft hier extra nadruk.
Ik vertrouw op U.
Om op God te vertrouwen moet je Zijn beloften kennen. Verdiep je in Zijn woord, want daar staan Gods beloften.
Op God vertrouw ik.
God had David het koningschap beloofd. Daar houdt David zich aan vast en geeft hem veel hoop op verlossing uit Gath.
Woorden verdraaien.
De vijanden voeren vooral strijd met hun tong. Ze verdraaien de woorden van David.
De klacht komt opnieuw. Het vertrouwen blijft.
Ook Jezus maakte dit mee.
Zij.
Dat zijn Saul en/of de Filistijnen. Het zijn veel vijanden. Volken noemt hij ze.
Ze letten op mijn voetstappen.
Ze houden David dus constant in de gaten.
Neerstorten in het dodenrijk.
God merkt het zeker op.
David rekent met Gods opmerkzaamheid.
God
In de eindtijd.
Ook in de grote verdrukking houdt God alles goed bij. De dagen zijn geteld.
Tranen in flesjes.
In Jezus' tijd hadden de klaagvrouwen flesjes, waarin ze tranen opvingen. Die heeft men in graven gevonden.
God is met míj.
Er zijn 2 kampen tegenover elkaar.
In het ene kamp bevinden zich zowel David als God.
Als David roept, gaat God helpen.
Dat zal het winnende kamp zijn.
De roep wordt beantwoord, en het vertrouwen groeit.
Het woord prijzen.
David kent Gods woorden. Hij weet Gods beloften.
Hierop richt zich zijn geloof, zijn vertrouwen.
Hij prijst God erom.
Vs 11 en 12 klinkt als refrein van vs 4 en 5.
God en HEERE.
O God.
Hieruit spreekt Davids verbazing over wat God voor hem heeft gedaan.
Op mij rusten beloften.
David belooft om zijn beloften aan God te vervullen.
Zo staat het ook in NBV en in de Afrikaanse bijbel.
In SV gaat het over Gods beloften aan David.
Dankzegging.
Het grondwoord gaat breder dan "dankoffer". Het kan ook zien op "lofliederen" waarmee de dank wordt bezongen.
U hebt mij gered.
Groot vertrouwen. David spreekt alsof de verlossing er al is. Dan ligt het leven weer voor hem.
In het licht wandelen.