Hoofdstuk 52


Vers 2

Doëg en de moord in Nob.

Deze gruweldaad in Nob is de achtergrond van deze psalm. Doëg voerde de moord op de priesters uit. Saul gaf de opdracht.


Toch problemen:

  1. Nergens wordt in deze psalm naar de moordpartij verwezen.
  2. Ook staat Doëg nergens als leugenaar bekend. Mogelijk moeten we dan "bedrog en leugen" verstaan als "verraad en misleiding".
  3. Zou een herder grote rijkdom hebben?(vs 9) Of werd hij door Saul flink beloond?

Achimelech.

Dat was de hogepriester in Nob.



Vers 3

Geweldenaar.

Wie wordt bedoeld?

Twee wegen , de weg van het kwaad en de weg van God. Deze geweldenaar kiest voor het kwaad.


Goedertierenheid.

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.



Vers 4

Úw tong.



Vers 5

De weg van het kwaad leverde Doëg waarschijnlijk wel wat op.


Het spreken van recht.

Rechtspreken is een taak van Saul.

Dan is "u" waarschijnlijk koning Saul, die het kwaad kiest.



Vers 8

Rechtvaardigen zien het...

De keerzijde vd straf van God is grote opluchting bij de rechtvaardigen. Ze lachen van opluchting, maar ze lachen de goddeloze ook uit.



Vers 9

Grote rijkdom.

De grote rijkdom lijkt meer te wijzen naar koning Saul dan naar de herder Doëg.

Saul is opdrachtgever en eindverantwoordelijk.



Vers 10

Als een olijfboom.

De goddeloze wordt ontworteld als onkruid. (Vs 7) De rechtvaardige staat als een olijfboom.

  1. Blijven groen.
  2. Worden eeuwen oud.
  3. Dragen eeuwen vrucht.
  4. Zijn zeer nuttig.
  5. Zelfs als de boom sterft, kunnen er nog weer nieuwe scheuten komen. Psalm 128:3.

Waren er bomen in de voorhof? Psalm 92:13-14.



Vers 11

God loven.

David kiest de weg van het goede.

Hij looft God.

Hij verwacht alles van God.

Hij is als een olijfboom dichtbij God.

David stelt zichzelf als voorbeeld voor rechtvaardigen.



<