Hoofdstuk 51


Vers 2

Nathan kwam.

10 maanden ná het overspel kwam de profeet Nathan.

Overspel met Bathseba.



Vers 3

Wees mij genadig.

David vraagt het voornaamste.

Door de opbouw van het vers ligt de nadruk op het karakter van God, trouw en barmhartigheid. Die zijn groter dan de zonde van David.


O, God.

David spreekt nog niet over "mijn God".

Er is een breuk in de relatie met God.


Overtreding.

Pèsja = afval, een breuk met...



Vers 4

Was mij schoon.

Het werkwoord wordt normaal NIET gebruikt voor afspoelen met water, maar om kleding met loog te reinigen. David verlangt diepe reiniging.


Ongerechtigheid.

= afwijking.

Zonde.

= doel missen.

Ons levensdoel moet zijn:



Vers 5

Overtredingen.

Ook de moord op Uria speelt op de achtergrond mee.

Begeerte, overspel en moord. Die zonden zijn overtredingen van 3 geboden, resp. gebod 10, gebod 7, gebod 6.


Zonden belijden.

Deze belijdenis is een noodzakelijke stap naar de vergeving.



Vers 6

Tegen U alléén.

God is de wetgever. Tegen deze wetgever overtrad David. Hij overtrad verschillende geboden (gebod 6,7,10). God is rechtvaardig. David erkent dat hij straf heeft verdiend.


Hij zondigde óók tegen



Vers 7

In ongerechtigheid geboren.

Toen ik op de wereld kwam, waren er overal om mij heen zondige mensen.

Zelf werd ik als zondaar geboren.


In zonde ontvangen.

Vanaf het eerste begin is er al een zondige natuur. Die erven we. Paulus noemt dat "vlees".

God straft de zonden van de vaders niet aan de kinderen.

Adam zondigde en werd zondaar. Wij worden niet om Adams zonde gestraft, maar om eigen zonden.

Wij zijn zondaren en daarom zondigen wij.



Vers 8

Waarheid in het binnenste.

Waarheid kan ook met trouw vertaald worden. Als dat in het binnenste is, bewaart dat voor veel zonden.



Vers 9

Hysop.

Priesters gebruikten hysop bij de reiniging.

David heeft Gód als priester nodig. Die moet hem reinigen.



Vers 10

Na belijdenis en vergeving wil David zich verheugen over de verlossing en reiniging.

Maanden heeft hij Gods drukkende hand gevoeld.



Vers 11

Uitdelgen.

Als God de zonden vergeeft, dan zijn ze weg.

Ze zijn onzichtbaar.

Ze zijn bedekt door het verzoenend bloed van Jezus.

God werpt de zonden in de diepte van de zee.

God denkt niet meer aan de vergeven zonden.



Vers 12

Schep mij een rein hart.

Gods vergeving is als een schepping, Gods werk.

Een standvastige geest heet elders een standvastig hart.

Het gaat om vertrouwen en trouw, zonder angst of twijfel.

Herstel van de relatie met God is Davids begeerte.



Vers 13

Neem Uw Geest niet van mij.

Een Christen kan dit niet bidden. Immers, de Heilige Geest is in en bij ons tot in eeuwigheid.

We kunnen wel bidden: neem de volheid van uw Heilige Geest niet van mij.

De Geest kan blijkbaar wel wonen in een onrein persoon. David was overspeler en moordenaar op dat moment.



Vers 13

David weet wat het betekent als de Geest van God weggaat.

Dat zou betekenen:

Hoe verklaren de Joden dit?

In het jodendom is het geloof in één, ondeelbare God absoluut centraal (het Sjema: “Hoor Israël, de HEERE is onze God, de HEERE is één”

Daarom wordt de Heilige Geest niet gezien als een aparte Persoon, zoals in het christendom, maar anders verklaard.
1. Roeach HaKodesj (רוּחַ הַקֹּדֶשׁ)
Wat christenen “de Heilige Geest” noemen, heet in het jodendom Roeach HaKodesj, letterlijk: de heilige Geest / heilige adem / heilige wind.
Dit is:


Niet een zelfstandige persoon, maar God Zelf in werking.
2. Geen aparte Persoon
In de joodse uitleg:


Maar:
de Geest is geen aparte “Hij”, geen tweede of derde persoon, geen zelfstandige wil los van God.
Men vergelijkt het soms met:


De stralen of warmte zijn echt, maar niet los van de bron.
3. Functies van Roeach HaKodesj
De Tenach en de rabbijnse uitleg laat Gods Geest o.a.:


Na de tijd van de profeten zegt de rabbijnse traditie vaak dat de profetische Roeach HaKodesj is teruggetrokken, maar Gods leiding blijft via:
de Thora, de wijsheid van de rabbijnen, het geweten van de mens.
4. Waarom wordt het christelijke begrip afgewezen.
Het jodendom verwerpt:
de Drie-eenheid, de gedachte dat Gods Geest een aparte goddelijke Persoon is.
Dit wordt gezien als strijdig met:



Vers 15

Gevolg van vergeving voor David en zijn omgeving.

Als God vergeeft, herstelt Hij de zondaar in de dienst aan Hem. Davids ervaring zal anderen tot voorbeeld zijn.



Vers 16

Bloedschulden.

De moord op Uria en anderen die met Uria stierven.

Rechtmatige straf, volgens de Thora, was doodstraf.

Uria stierf wel in een oorlogssituatie, maar David had het dodelijke plan beraamd.



Vers 17

Open mijn lippen.

David wil Gods lof bezingen, maar dan moet God hem eerst vergeven. Als hij met een onvergeven schuld leeft, is zijn mond gesloten en zingt hij Gods lof niet. Het moet bij God beginnen.



Vers 19

Wat wil God graag?

Het ware offer is een berouwvol hart.


Offers zonder juiste houding, zonder oprecht hart, zijn zinloos.



Vers 20

Doe goed aan Sion.

David bracht door zijn zonde ook veel leed over Jeruzalem. Vandaar nu ook gebed voor de stad.

De studiebijbel geeft de optie dat de laatste twee verzen zijn van ná de Babylonische ballingschap . De muren moeten worden opgebouwd. Dan is Davids berouw een collectief berouw geworden.



<