Hoofdstuk 50


Vers 1

Asaf.

In Ezra 2:41 zijn er na de ballingschap nog zangers uit Asafs familie.


De God der goden roept.

God roept de aarde op om getuige te zijn van datgene wat in de psalm volgt.



Vers 2

Uit Sion.

Uit Jeruzalem.



Vers 3

Vuur en storm.

De dichter denkt waarschijnlijk aan Sinaï.

Ezechiël zag ook storm en vuur toen hij iets van Gods heerlijkheid zag.



Vers 5

Verbond vernieuwd.



Vers 6

Rechtbank.

Er is hier een beeld van een rechtbank. Israël staat voor de Rechter, voor God.

Er komt geen veroordeling, wel een vermaning.

Het schort niet aan offers. Die geeft het volk voldoende.

Bovendien is God niet als de afgoden die zich voeden met de offers. De offerdienst is niet voor God, maar voor het volk. Zo komen ze in contact met God.

Psalm 75 gaat ook over God als Rechter.



Vers 14

We moeten "dank" offeren.

Wie "dank" offert, eert God, zegt vers 23.

De basis van de offers moet zijn:

Zo is er een gezonde relatie met God.


Kom je beloften na!



Vers 15

Roep Mij aan.

  1. Een goede relatie met God is nodig.
  2. God zal helpen en redden.
  3. Israël zal God erom eren.

Lofprijzing en dankzegging gaan hier vooraf aan het roepen in benauwdheid.



Vers 17

U.

Dat is de goddeloze uit vers 16.



Vers 18

U loopt mee met de dief.

Wie meeloopt is een heler.

Die is net zo erg als de steler.

8e gebod.



Vers 19

9e gebod.



Vers 21

God zwijgt.

Hij wil ruimte geven tot inkeer. Maar als bekering uitblijft, zal God de zonden straffen.



Vers 23

Wie de rechte weg gaat.

Wie op Gods weg gaat, krijgt Gods zegen.

Het gaat om ons hart en niet om uiterlijke godsdienst.

Wie de rechte weg niet gaat...



<