Hoofdstuk 3


Vers 1

David vlucht voor Absalom.

Deze psalm gaat over:

  1. Hoe geloof vertrouwt ook als er niets gezien wordt.
  2. Wie God wil zijn voor de gelovigen.

Wat is de invloed van muziek?

Koning Saul wordt er rustig van.

Elisa's geest opent zich, zodat de Heilige Geest tot hem kan spreken.



Vers 2

Veel tegenstanders.

Velen. Eigen raadgevers bv. Achitofel hoorden daarbij.



Vers 3

Mijn ziel.

De ziel is hier niet een deel van de mens, maar is de mens zelf.


Geen heil.

Het Hebreeuws : yeshû‛âh.

Daarin herkennen we de naam Jezus. Hij is onze Heiland.

Géén heil bij God zou het érgste zijn voor David.



Vers 4

Geloofstaal.

Niets zien en toch vertrouwen. Het geloof zegt: "mijn". Dat David wél heil bij God had, lees je in vs 5.

Mijn eer.

Mijn heerlijkheid.



Vers 5

Heilige berg.

Op deze berg Sion had David de ark in de nieuwe tabernakel laten zetten.

Op die ark woonde God.

Al voordat David een altaar bouwde op de dorsvloer van Arauna wist hij al van Gods heilige berg Sion.

Volgens Ezechiel 28:13-16



Vers 6

Ik sliep.

Als je eigen zoon je naar het leven staat, zou je toch van verdriet geen oog dichtdoen.

Toch, door de nabijheid en de troost van God, kan David slapen.



Vers 7

Ik vrees niet.

Hier is David weer zoals in de tijd dat hij met Goliath streed. Hij vertrouwt helemaal op God.

Getallen, groot of klein, tellen niet bij God. Hij kan ook door één man verlossen.



Vers 8

U hebt.

In het verleden versloeg de Heere de vijanden ook voor David.

Hij verwacht dat dit nu weer zal gebeuren.


Tanden=



Vers 9

Het heil is van de HEERE.



<