Hoofdstuk 4


Vers 1

Voor de koorleider.

Geloof wordt gedeeld. De psalm wordt in de tabernakel gezongen. Er is gemeenschap der heiligen. David heeft iets te delen.



Vers 2

Verhoor mij.

Vóór het gebed vraagt David om verhoring. David weet ook dat God hem zál verhoren.

Gebed is niet alleen vragen, maar ook spreken met God, loven, aanbidden en danken.


Zo kan God antwoorden, maar soms anders dan we verwachten. Hij weet iets beters.

God van mijn gerechtigheid.

Het gaat om de gerechtigheid van God.

God is een rechtvaardige God.

David bidt of God hem recht wil doen.


Ruimte in benauwdheid.

God nam de benauwdheid niet weg, maar gaf wel ruimte in die benauwdheid.



Vers 3

Aanzienlijken.

David spreekt tot aanzienlijken. Waarschijnlijk volgelingen, die het niet meer zien zitten (met David?).

Hij vermaant en spreekt moed in.

Waren het misschien volgelingen die zich aansloten bij Absalom?


Mijn eer te schande maken.



Vers 4

Weet toch.

David brengt zich Gods woorden en beloften in herinnering. Dan sta je sterk.

Gunsteling.

Dat is David.

God maakte hem koning.

God sloot een verbond met David.

De HEERE hoort als ik roep.

Wat een troost voor David en voor elke gelovige.

Laat je niet leiden door je gevoel, maar door dit woord van God.



Vers 5

Wees ontzet, maar..

Op bed, als je de slaap niet kunt vatten, kan er van alles in gedachten komen, ook slechte dingen.

Wees toornig, maar...

David begrijpt de verwarring van zijn volgelingen en zegt als het ware: 'Wees maar ontzet (toornig), dat geeft niet'. Maar, zegt hij erachteraan, ga daarin niet zover dat je je bezondigt!

Pas op, dat je in de toorn, de duivel geen plaats geeft.

Spreek in uw hart.

Denk eens goed na.



Vers 6

Offers van gerechtigheid.

Een andere psalm van David, Psalm 51:19-21, laat zien, wat hij met die offers van gerechtigheid bedoelt. Het zijn:

Het is een rijke vrucht voor degene die de God van de gerechtigheid kent.



Vers 7

Velen zeggen...

Velen verliezen de moed. Waar gaat dit heen? Wie zal ons het goede laten zien?

David weet wel wie die "WIE" is. Dat is God.

Davids gebed is ontleend aan

Hij bidt dus om Gods zegen. Van Hem verwacht hij hulp.

Jij ook?



Vers 8

Meer blijdschap gegeven.

HEERE waar dan heen?

Tot U alléén.

U zult mij niet verstoten.


U hebt Uw vreugde in mijn hart gegeven.

David weet wie God voor hem is. God is zijn Hulp, zijn Bevrijder. Daarin verblijdt hij zich.

Verheugd in God te zijn is het grootste wat we kunnen ontvangen. Het is ook onze opdracht.

Jezus bidt er om.

Góds vreugde is dat een zondaar zich bekeert.

Góds vreugde is het als Hij Zijn liefde kwijt kan aan zondaren.



Vers 9

In vrede..

Waarschijnlijk horen de Psalmen 3 en 4 bij elkaar. Dan was het géén vrede, want er is een burgeroorlog. David vlucht voor Absalom.

Toch... David weet dat God aan zijn kant staat. Dan ervaart David vrede in deze moeilijke situatie.


Liggen en slapen.

David was waarschijnlijk in gevaarlijke omstandigheden.

Toch gaat hij liggen en slapen.

God waakt.

God zorgt voor veiligheid.

Wie in Christus gelooft, heeft eeuwig leven.



<