Goden.
'ĕlôhı̂ym.
=oversten, rechters.
Het woord kan ook slaan op:
Paleis.
= tabernakel.
In Davids tijd was de tempel er nog niet.
Goedertierenheid.
Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.
HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.
Uw trouw.
SV heeft vertaald:
Belofte.
De belofte van de Messias als zoon van David.
Roepen en verhoord worden.
Steeds kom je dit tegen in de Bijbel. Ze horen samen. Gelovigen zullen dit ervaren.
Maar... als goddelozen God afwijzen en zij, zodra God straft, tot Hem gaan roepen, dan verhoort God hen niet.
Alle koningen van de aarde.
Als álle koningen God loven, dan is het vrederijk aangebroken.
Dan regeert de grote Zoon van David.
Dan is de aarde vol van de kennis van de HEERE.
Gods heerlijkheid.
Gods heerlijkheid was in de wolk-en vuurkolom.
Gods heerlijkheid kwam als een wolk in de tabernakel en de tempel.
Gods heerlijkheid vertrok uit de tempel van Salomo, kort vóór de verwoesting en ging naar de Olijfberg.
God zal in de derde tempel weer terugkeren.
God ziet om naar de nederige.
God keert Zich tegen de hoogmoedige.
David lijkt op God. Ook hij keert zich tegen de hoogmoedige.
Ik.
Mijn vijanden.
In de grote verdrukking zijn dat.
Grote troost.
Nooit kan het geloof teveel verwachten.
God houdt Zijn woord.