Hoofdstuk 138


Vers 1

Goden.

'ĕlôhı̂ym.

=oversten, rechters.

Het woord kan ook slaan op:



Vers 2

Paleis.

=tabernakel.


Goedertierenheid.

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid (Galaten 5:22).


Uw trouw.

SV heeft vertaald: Uw waarheid.


Belofte.

De belofte van de Messias als zoon van David.



Vers 3

Roepen en verhoord worden.

Steeds kom je dit tegen in de Bijbel. Ze horen samen. Gelovigen zullen dit ervaren.

Maar...

Als goddelozen God afwijzen en zodra God straft, tot Hem roepen, dan verhoort God niet.



Vers 4

Alle koningen van de aarde.

Als álle koningen God loven, dan is het vrederijk aangebroken. Dan regeert de grote Zoon van David. Dan is de aarde vol van de kennis van de HEERE volgens Jesaja 11:9.



Vers 5

Gods heerlijkheid.

Gods heerlijkheid was in de wolk-en vuurkolom.

Gods heerlijkheid kwam als een wolk in de tabernakel en de tempel.

Gods heerlijkheid vertrok uit de tempel, maar zal in de derde tempel weer terugkeren.



Vers 7

Ik.

Mijn vijanden.

In de grote verdrukking zijn dat.

  1. De antichrist.
  2. De valse profeet.
  3. Gog, de koning uit Ezechiel 38 en 39.
  4. Satan.



Vers 8

Nooit kan het geloof teveel verwachten.



<