Hoofdstuk 139


Vers 1



Vers 2

Wat zoekt God?

God zoekt in ons géén heiligheid, maar wel oprechtheid. Hij zoekt in ons naar het beeld van Zijn Zoon.


Alwetendheid.

Voordat gedachten in me opkomen, weet God ze al.

Een gelovige is blij met Gods alwetendheid. Beproef mijn hart.



Vers 3

Met al mijn wegen vertrouwd.

God weet alles van de dichter. David is daar blij mee. Jij ook.

Ben jij ook met Góds wegen vertrouwd?



Vers 5

U sluit mij in.

Gods hand beschermt mij, van voren, van achteren, overal.



Vers 6

Dit kennen.

David beschreef "dit kennen" in de verzen 2-5.

Hij gaat ook in de volgende verzen verder om "dit kennen" te beschrijven.

God kent alles van mij.

Wij mensen kunnen dat niet begrijpen.



Vers 7

God is overal.



Vers 8

Hel.

= sheool = dodenrijk.



Vers 9

Dageraad.

Oosten.


Zee.

Westen.



Vers 11

Verbergt de duisternis niet voor God?

Nee. God ziet me ook in het donker. God zelf is het Licht.



Vers 13

In de schoot van mijn moeder.

In volslagen duisternis waar niemand mij zag, daar zag God mij en vormde mij.



Vers 14

Mijn ziel.

Ik zelf.

Mijn persoon.



Vers 15

De laagste plaatsen.

Hier wordt de baarmoeder bedoeld.

Paulus schrijft ook over de laagste plaatsen van de aarde.

Als we Ef 4:9 lezen, dan lezen we over Jezus' hemelvaart nadat Hij was afgedaald in de laagste plaatsen van de aarde. In Ef 4:9 gaat het over de sheool = dodenrijk.


Abortus.

Amnesty International verdedigt abortus als een mensenrecht.

In 2025 waren er wereldwijd 73 miljoen abortussen, ongeveer 52% van alle sterfgevallen. Abortus is zo doodsoorzaak nummer 1.

In 2026 reserveert ons ministerie van VWS bijna €30 miljoen om abortus te financieren. (Bijna 40.000 geregistreerde abortussen per jaar in Nederland)



Vers 16

Zij allen werden...

Bij de bevruchting wordt elk mens ingeschreven in het boek van de levenden.

We kunnen ook, als we goddeloos blijven uit het boek van de levenden geschrapt worden.

Wat uiteindelijk overblijft is "het boek van het leven van het Lam". Daarin staan alle gelovigen.



Vers 19

Zelfde vijanden.

De dichter David en God hebben dezelfde vijanden. Hij wil dat God optreedt.

David haat ook bedrog en onschuldig bloed vergieten, net zoals God.



Vers 21

Zou ik niet haten die U haten?

David bedoelt: Bij de mensen die U haten, wil ik niet horen. Ik walg van zulke mensen en van hun goddeloze leven. Ik blijf ver bij hen vandaan zoals men ver bij een vijand wegblijft.


Luther legt uit dat we alléén omwille van de leer moeten haten. De persoon moet je liefhebben. God wil dat we alléén Zijn woord zullen aanhangen.

Het is een zalige haat als die uit liefde voorkomt.



Vers 22

Zo Vader, zo zoon.

David laat hier zien dat hij op God lijkt. Gods vijanden zijn zijn vijanden. Hij denkt zoals God denkt.



Vers 23

Doorgrond mij.

David wil denken en doen zoals God dat wil.

God mag alles weten.

Dat is toch ook ons begeren!

Mag God alles van je weten?



Vers 24

Een schadelijke weg.

Of: een weg van smart.

Dit is niet een weg van God, maar van de zonde.



<