Hoofdstuk 130


Vers 1

Uit de diepten.

"Diepten" heeft te maken met wateren.

Het grondwoord komt ook voor in het boek Jona.

Het heeft hier te maken met vreselijke menselijke ervaringen. In de diepten vind je de waarheid.

Het gaat hier ook om inwendige nood vanwege zonden. Dat blijkt uit vers 3 en 8.

Maar...Jezus is afgedaald in de diepten.

Er wordt uit de diepten geroepen en God ziet laag neer.

Als God op onze zonden let, dan zinken we in de diepten.



Vers 2

Opmerkzame oren.

God heeft opmerkzame oren. Hij hoort en dan gaat Gods iets doen. Hij wil vergeven om Christus' wil.

Dan haalt God ons uit de diepten en zet ons op een rots (Jezus).

Dan zingen we een nieuw lied.

Loof Hem die u alles wil vergeven. Die in de nood uw Redder is geweest.



Vers 3

HEERE.

Dit is Jahweh, de verbondsgod.


Wie zal staande blijven?

God kan met zonden niet leven. Alléén als onze zonden vergeven worden, blijven we staande. Dan zijn we zelfs kinderen van God en erfgenamen van Hem.


Christus bleef niet staande.

Al onze ongerechtigheden zijn op Jezus gelegd. Hij werd tot zonde gemaakt. Hij kon niet staande blijven.



Vers 4

Bij U is vergeving.

De gelovige herinnert God eraan dat Hij belooft om een vergevende God te zijn. Hier spreekt het geloof.

Vrees des Heeren"

=ontzag voor God.

Dat is iets wat blijvend is.

Het heeft alles te maken met onze levenswandel.


Wat is de vrees des Heeren?



Vers 5

Ik verwacht de HEERE.

Hopen op Zijn woord.

Die hoop is troost in ellende.

We hopen op de beloften van God in Zijn woord. God maakt Zijn beloften waar. Daar doet Hij zelfs een eed op.



Vers 6

Ik wacht op de HEERE.

Dit is het nieuwe leven.

Dit is de nieuwe mens.

De nieuwe mens is op God gericht.



Vers 7

Goedertierenheid.

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.



Vers 8

Hij zal Israël verlossen.

Ongetwijfeld, maar God verlost op Zijn tijd.

Mogelijk gaat het hier om volkszonden.

Uiteindelijk zal heel Israël zalig worden.



<