Hoofdstuk 129


Vers 1

Benauwd vanaf de jeugd.

Benauwd vanaf dat Israël als volk ontstond. In Egypte begon het al. Daar werd Israël een slavenvolk. Of het begon al eerder, bij Abraham en Izak en Jakob. Die hadden ook moeilijkheden met de bewoners in het land.


Deze benauwdheid gold voor Israël door de eeuwen heen. Ook nadat de staat Israël gesticht werd in 1948 maakte Israël veel benauwde tijden mee en veel oorlogen.

Maar...ze zijn niet overwonnen.



Vers 3

Ploegers.

Lang en veel leed is Israël aangedaan. Dit lijkt op de geseling van Jezus.


Hun voren.

Wie ploegt maakt met de ploeg een voor, een diepe gleuf, in het land.



Vers 4

De touwen afgehakt.

God heeft bevrijd uit de slavernij en nog vele keren later in de richterentijd en in de tijd van Saul en David.

Door alle eeuwen waakte God over Israël, Zijn persoonlijk eigendom.

Ook na 1948 waakte God. Israël hield stand tegen een overmacht aan vijandige buurlanden.



Vers 5

Haten.

In eindtijd heet dit haten van Israël anti-zionisme of anti-semitisme.



Vers 6

Gras op de daken.

Daken hadden minstens 2 eigenschappen.

  1. Ze waren niet waterdicht.
  2. Ze waren groen.

Op de dakbalken legde men overdwars kreupelhout. Men smeerde de openingen dicht met modder.

In deze modder ontkiemden zaden, ook van gewas dat men op het dak droogde.



Vers 7

Het gras op de daken.

Waardeloos.

Ongeschikt om te maaien.

Ongeschikt om op te rapen.

Zelfs ongeschikt voor hooi.



Vers 8

Gods zegen.

Mensen kunnen elkaar zegenen. In een zegen spreken we Gods woorden tot een mens, bv ons kind.

"Lief kind, de HEERE zal u bewaren voor alle kwaad, uw ziel zal Hij bewaren. Laat God je kracht geven om tussen je vrienden pal te staan voor Hem".

Dat is beter dan: fijne dag!

De voorbijgangers zeggen normaal gesproken tegen de maaiers:

Maar bij dit „gras” gebeurt dat niet. Het is geen gezegende oogst die wordt binnengehaald. Er is niets te zegenen.
Het gaat beeldend over de vijanden van Sion. Hun bestaan en hun werk zullen geen blijvende vrucht hebben.
Dus:
De zegen van vers 8 wordt niet over de haters van Sion uitgesproken. Het is juist een ontkenning: men zal hen niet begroeten met de gebruikelijke oogstzegen.

Maar wat betekent „Wij zegenen u in de Naam van de HEERE”?
Dat is de normale zegenwens die voorbijgangers tot de maaiers richten. De gedachte is ongeveer:
„Moge de HEERE jullie zegenen in jullie werk.”



<