Hoofdstuk 129


Vers 1

Benauwd vanaf de jeugd.

Benauwd vanaf dat Israël als volk ontstond. In Egypte begon het al. Daar werd Israël een slavenvolk. Of het begon al eerder, bij Abraham en Izak en Jakob. Die hadden ook moeilijkheden met de bewoners in het land.



Vers 3

Ploegers.

Lang en veel leed is Israël aangedaan. Dit lijkt op de geseling van Jezus.


Hun voren.

Wie ploegt maakt met de ploeg een voor, een diepe gleuf, in het land.



Vers 4

De touwen afgehakt.

God heeft bevrijd uit de slavernij en nog vele keren later in de richterentijd en in de tijd van Saul en David.



Vers 5

Haten.

In eindtijd heet dit anti-zionisme of anti-semitisme.

Micha 4:11-13.



Vers 6

Gras op de daken.

Daken hadden minstens 2 eigenschappen.

  1. Ze waren niet waterdicht.
  2. Ze waren groen.

Op de dakbalken legde men overdwars kreupelhout. Men smeerde de openingen dicht met modder.

In deze modder ontkiemden zaden, ook van gewas dat men op het dak droogde.



Vers 7

Het gras op de daken.

Waardeloos.

Ongeschikt om te maaien.

Ongeschikt om op te rapen.

Zelfs ongeschikt voor hooi.



Vers 8

Gods zegen.

Mensen kunnen elkaar zegenen. In een zegen spreken we Gods woorden tot een mens, bv ons kind.

"Lief kind, de HEERE zal u bewaren voor alle kwaad, uw ziel zal Hij bewaren. Laat God je kracht geven om tussen je vrienden pal te staan voor Hem".

Dat is beter dan: fijne dag!

De zegen in Psalm 129:8 is:



<