Hoofdstuk 123


Vers 1

Ik sla mijn ogen op naar de hemel.

In Psalm 121:1 slaat de dichter zijn ogen op naar de bergen, naar de berg Sion. Daar woonde God in het heiligdom.

In Psalm 123:1 slaat de dichter zijn ogen naar de hemel. Dat is zeker de woonplaats van God. Het kan ook een aanwijzing zijn dat God niet meer op de berg Sion woont, omdat de tempel verwoest is. Vóór die tijd vertrok God reeds uit de stad.

Als dit klopt, dan is deze psalm van ná de ballingschap.

Dat kan kloppen met "spot en verachting" in de verzen 3 en 4. Die spot kwam van de Samaritanen t.t.v. Ezra en Nehemia.



Vers 2

Onze ogen gericht op de HEERE.

Mensen die omhoog kijken, kunnen niet tegelijk om zich heen kijken.

Wie omhoog kijkt, zondigt niet, maar zodra we om ons heen zien, kan de zonde komen.

Totdat Hij ons genadig is.

De dichter vraagt God om hulp tegen vijanden.

Die verachten en bespotten hem.

(vers 3 en 4)



Vers 3

Wees ons genadig.

Het is hier een vraag om Gods ontferming tegenover vijanden die Israël verachten.


Verachting.

Is dat misschien in de tijd van Nehemia? Toen waren het de Samaritanen die Israël bespotten en verachtten.



<