Een pelgrimslied.
15 liederen (120-134) die gezongen werden bij de opgang naar de tempel.
Geroepen.
Gods kind roept tot God. Zijn Vader verhoort.
De dichter heeft verhoring in het verleden in gedachte. Dat geeft moed voor verhoring in de toekomst.
Red mij van valse lippen.
Probleem is leugen en laster. Dat komt vaak voor in de psalmen.
Wat zal de tong vol bedrog u geven?
Scherpe pijlen van de vijand.
Laster doet pijn.
Gods straf.
Het kan ook gaan over GODS straf. God schiet de lasteraar met pijlen. Brandende pijlen?
Wee mij.
Het is alsof de belasterde dichter een vreemdeling is die in het buitenland verblijft te midden van wrede heidenen.
Mesech.
Tussen Zwarte Zee en Kaspische Zee.
Kedar.
Strijdlustige wrede Ismaƫlieten.
Mesech en Kedar zijn onaangename plaatsen. Daarmee vergelijk de dichter zijn situatie.
Hij leeft tussen mensen die de vrede haten.
Ik ben vreedzaam.
De dichter spreekt welgemeend tot hun welzijn, maar ze vallen hem onmiddellijk aan met hun scherpe laster. Zij haten de vrede. Dus het is niet altijd: 2 kijven, 2 schuld.