Hoofdstuk 119


Vers 1

Vreugde van de wet.

Psalm 119 is één grote lofzang op de wet.

De wet geeft vrijheid en vreugde.

Zie aantekeningen bij Exodus 32:16.

In Handelingen 21:20 lezen we over tienduizenden Joden die tot geloof kwamen en leefden volgens de wet.

Welzalig.

"Welzalig" is hier géén wens, maar een feit.



Vers 2

Zijn getuigenissen.

De getuigenissen van God staan in de wet.

Daarin staat wie God is en wat God wil.


Met héél hun hart zoeken.

Als jij jezelf herkent als een mens die naar God zoekt, dan lees je hier een grote troost.

Je bent zalig,

welzalig!

Je hart zal leven!



Vers 3

Geen onrecht bedrijven.

Wie God zoekt en op Hem gericht leeft, gaat niet in de zonde leven.

En als we toch, ongewild, in zonde vallen, dan hebben we in Jezus een Pleitbezorger.



Vers 4

Uw bevelen ten zeerste bewaren.

Als we Gods geboden uit liefde doen, dan is dat geen zware last.

Wie Gods geboden doet, laat zien dat hij God liefheeft.

Dus: los van de wet bestaat niet voor een christen.



Vers 5

Onderwijs en praktijk.

In de verzen 1-4 gaf God onderwijs.

In de verzen 5-8 gaat het over de praktische toepassing.

Och...

De dichter ziet eigen zwakheid. Ook wij hebben steeds de hulp van de Heilige Geest nodig.



Vers 6

Oog voor de geboden.

Als je steeds op God let en zoekt de dingen die boven zijn, dan ben je in Hem.

Dan zondig je niet.

Door de bijbel word je op God gericht. Wees daar veel in bezig.



Vers 7

Rechtvaardige bepalingen

Dat zijn Góds geboden.



Vers 8

Geheel en al.

Verlaat mij niet, op geen enkele manier.

Onder het NT woont de Heilige Geest in ons. Hij verlaat ons nooit.

Dat was onder het OT anders.



Vers 9

Bewaren.

We moeten Gods woord diep tot ons laten doordringen en er dan ook naar leven.



Vers 10

Zoeken met heel je hart.

Dit is het gevolg van het bewaren van Gods woord uit vers 9.

"Met héél je hart". Het is niet mogelijk om het huwelijk goed te houden als je niet met héél je hart van de ander houdt.

Zo ook bij God. Hij wil niets delen met een ander.


Niet afdwalen van Gods geboden.

Door Gods geboden te doen, betonen we God onze liefde.

Afdwalen van Gods geboden betekent ook minder liefde voor God.



Vers 11

Uw belofte.

Uw belofte maakt mij levend.

Opdat ik niet zondig.

Wie zondigt, mist zijn levensdoel nl. God eren.

Wie op Jezus gericht blijft, zondigt niet.

En...als we toch in zonde vallen?



Vers 12

God loven.



Vers 13

Al de bepalingen.

Wat God heeft gesproken, is ons lief.

Zijn woorden van liefde willen we doorgeven aan anderen.

Dat Jezus ook!



Vers 17

Uw dienaar.

De dichter erkent God als zijn Heer en Meester.

Hem wil hij uit liefde dienen.



Vers 18

Ontsluit mijn ogen.

Als God onze ogen opent, dan zien we dingen in Gods woord die anderen niet zien. Het kan zelfs zijn dat iets gepredikt wordt, wat Gods woord echt anders leert en dat mensen het toch niet (willen) zien.


Wonderen van Uw wet.

"De wet" = de Thora.

De wonderen vertellen over de macht en grootheid van God.

Het 1e wonder in de wet, de Thora, is de schepping.



Vers 19

Een vreemdeling.

Een goddeloze wóónt op aarde, maar een godvrezende verblíjft er. De gelovige is op aarde een vreemdeling.

Hij heeft zijn vaderland elders.

  1. Abraham was al een vreemdeling in Gods land. Genesis 17:8.
  2. Jakob was een vreemdeling. Genesis 28:4.
  3. Israël was als vreemdeling in Egypte. Exodus 23:9.
  4. Na de verwoesting van Jeruzalem was Israël vreemdeling onder de volken.
  5. Sinds 1948 is Israël opnieuw een vreemdeling op de aarde.



Vers 20

Bepalingen.

Bepalingen zijn Gods geboden.

In SV staat: oordelen.

We verlangen ook naar het oordeel van Jezus.

Hij zal ons recht doen.



Vers 21

Hoogmoedigen.

Hoogmoed is de zonde van satan.

Hoogmoedigen horen bij satan. God haat de hoogmoed.

Vervloekt.

Als God vervloekt, is dat heel erg.



Vers 22

Smaad en verachting.

Dit hoort bij het volgen van Jezus.



Vers 23

Tegen mij spraken.

De rechtvaardige is aangeklaagd. Hij moet zich verantwoorden. De vorsten spreken tégen hem. In de wereld zul je verdrukking hebben.



Vers 25

Aan het stof kleven.

Zo ontstaat de strijd tussen vlees en geest waar Romeinen 7 :23 over spreekt.


Moeilijkheden.

God neemt meestal de moeilijkheden niet weg, maar helpt er ons doorheen.



Vers 26

Ik heb U míjn wegen verteld.

Dit is een belijdenis.



Vers 27

Geef mij inzicht.

De dichter krijgt van God wel onderwijs, maar hij wil dieper inzicht.

Alleen dan kan hij het onderwijs toepassen.



Vers 28

Mijn ziel.

Dat is mijn persoon.

Dat ben ik.



Vers 29

De weg van de leugen.

Dat is een weg bij God vandaan.



Vers 30

Weg van de waarheid gekozen.

God wil dat we die weg gaan, maar dwingt ons niet.

Het is onze verantwoordelijkheid. De dichter koos deze weg.



Vers 31

Ik kleef..

In vers 25 kleefde hij aan het stof, maar nu aan Gods getuigenis.

Dat is veel beter.



Vers 34

Geef mij inzicht.

Het gaat hier vooral om een vernieuwd hart en veel minder om goed verstand.



Vers 35

Vreugde in Gods geboden.

Als we uit de liefde leven is het doen van Gods geboden geen zware last.



Vers 36

Winstbejag.

Geldzucht is gevaarlijk en kan het woord van God verstikken.



Vers 37

Wend mijn ogen af.

Mensen kunnen slechts één kant opkijken. Wie de ogen op de hemel richt, kan niet tegelijk in de zondige wereld rondkijken.

Wie op Christus ziet, zondigt niet.

Wie de ogen in de wereld laat rondkijken, kan zomaar in zonde vallen.



Vers 38

Bevestig Uw belofte.

Ons geloof richt zich op Gods beloften. Gods beloften geven ons leven en troost.



Vers 39

Smaad waarvoor hij beducht is.

Als God hem het beloofde niet geeft, terwijl hij toch op God vertrouwt, dan zal men hem smaden. God zal ook gesmaad worden en dat wil de dichter zeker niet.



Vers 40

Leven door Uw gerechtigheid.

God geeft dit leven op grond van Jezus' werk. Hij voldeed aan Gods gerechtigheid. Daardoor kan God barmhartig zijn voor ieder die in Jezus gelooft.



Vers 41

Goedertierenheid.

=verbondstrouw.

Volgens Van Dale:

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.

Door Gods goedertierenheid kregen we genade. Daarna hebben we Zijn goedertierenheid dagelijks nodig.

Pleit op Gods beloften.

God geeft Zijn woord en komt daar nooit op terug.

Hij verbindt Zich zelfs met een eed om ons nog meer vertrouwen te geven.

We hebben 2 onveranderlijke zekerheden, Gods beloften en Gods eed.



Vers 43

Woord van de waarheid.

God zelf is Dé Waarheid.

Daarom is Zijn woord ook waar.

Wie dat woord naspreekt, spreekt de waarheid.



Vers 45

Op ruime baan.

In vrijheid.



Vers 48

Ik hef mijn handen op.

Dat is een houding van lofprijzing en gebed.



Vers 49

Denk aan het woord dat U sprak.

God denkt altijd aan Zijn woord en zal dat zeker uitvoeren.

De dichter ziet even niet Gods vervulling, vandaar zijn vraag.


Onze hoop.

Eigenlijk is onze hoop een persoon, Jezus.

Onze hoop richt zich op Hem, op Zijn verzoeningswerk en op Zijn beloften.



Vers 50

Uw belofte heeft mij levend gemaakt.

Natuurlijk is God de Enige die een zondaar levend maakt.

De dichter eigende zich deze belofte toe en door zo op Gods woord te vertrouwen, is hij door God gerechtvaardigd.

Gods woord is levend en krachtig.



Vers 53

Uw wet verlaten.

Gods wet verlaten is hetzelfde als God verlaten.



Vers 54

Mijn gezangen.

Verloste zondaren zingen. Van engelen lezen we niet dat ze zingen. Engelen "zeggen". Misschien zijn dat spreekkoren.

Vreemdeling.

Gelovigen zijn pelgrims. Hier op aarde is hun vaderland niet. Ze zoeken het toekomende.



Vers 55

's Nachts.

Men zegt wel als je niet kunt slapen: ga dan maar schaapjes tellen.

Beter kun je met de Herder gaan praten.



Vers 56

In acht genomen.

Dat is niet ernaar luisteren, maar Gods geboden doen. Zo doen we de wil van God.



Vers 57

De HEERE is mijn deel.

Dat deel is blijvend, dat bestaat ook na ons sterven. Bij een gelovige woont God in ons. We hebben de Heilige Geest.

We hebben ook Jezus.



Vers 59

Mijn voeten gekeerd.

De dichter draait zich om, naar God toe.

Wie in het woord leest, ziet de tekorten in zichzelf. Dan moet hij zonden belijden en terugkeren.



Vers 60

Niet geaarzeld.

De dichter hoeft over zijn terugkeer naar God niet lang na te denken. Hij wil dat niets hem zal scheiden van God.



Vers 61

Benden goddelozen.

Wie de wil van God doet, krijgt met vijandschap te maken.

Goddelozen proberen hem toch weer van de weg van Gods geboden af te krijgen. Dat lukt niet.



Vers 62

Ik ben een metgezel.

De dichter hoort bij de geloofsgemeenschap, een gemeenschap van heiligen. Daar bemoedigen ze elkaar.



Vers 65

U bent goed voor mij geweest.

Tel jouw zegeningen.

Als je de goedheid van God ziet, vertel het in dankbaarheid ook tegen God. Hij wil de eer.



Vers 66

Goed onderscheiden.

Elke gelovige heeft nodig om goed te onderscheiden. Is iets uit God of niet?

We toetsen het aan de bijbel.

Goed onderscheiden hoort bij de geestelijke volwassenheid.



Vers 67

Verdrukking is nuttig.

Zelfs verdrukking is goed. Het houdt ons op de goede weg of het brengt ons er weer op. Dan kunnen we zelfs roemen in de verdrukking.



Vers 68

Goed zijn, goed doen.

God doet zoals Hij is.

Wij zijn geroepen om Zijn beeld te laten zien.



Vers 70

Een ongevoelig hart.

Een "vet" hart is ongevoelig voor Gods woord.



Vers 71

Goed.

In dit teth-couplet komt het woord "goed" wel 4x voor.

Zelfs verdrukking is goed. Het houdt ons op de goede weg of het brengt ons er weer op. Dan kunnen we zelfs roemen in de verdrukking.



Vers 72

De wet uit Uw mond.

Voor de dichter komt Gods woord rechtstreeks van God.

Het is alsof hij van mond tot mond met God spreekt.

Er is relatie. Dat is belangrijker dan religie.



Vers 73

Gemaakt en bereid.

Geef mij inzicht.

We hebben een verlicht verstand nodig om de dingen van God op de juiste manier te verstaan.



Vers 74

Godvrezenden verblijden zich.

De godvrezenden zien dat de dichter, net als zij, op God vertrouwt. Hij hoopte, net als zij, en is ook niet beschaamd geworden. Zo geven ze elkaar moed.



Vers 75

Verdrukking heeft een doel.

Zie vers 71.



Vers 76

Om mij te troosten.

De verdrukking valt niet mee. De dichter vraagt om troost.

In vers 77 vraagt hij ook barmhartigheid.



Vers 84

Heftige verdrukking.

De vijanden worden genoemd met verschillende begrippen.



Vers 85

Kuilen gegraven.

Er staat géén verbod in de wet om kuilen te graven, maar het doel van de gravers is om de dichter in het ongeluk te storten. God gebiedt om de naaste, zelfs je vijand, lief te hebben.



Vers 88

Uw getuigenis zal ik in acht nemen.

Dit is midden van de psalm.

Hier draait het om.

Het doen van Gods geboden.



Vers 89

Vast in de hemel.

Gods woord is onveranderlijk. God verandert immers niet.

Satan probeert altijd twijfel over Gods woord te zaaien.



Vers 90

Gods trouw.

God blijft van generatie op generatie trouw aan Zijn schepping.



Vers 92

Uw wet.

Dat is de Thora.



Vers 93

Levend gemaakt.



Vers 95

Goddelozen willen hem doden.

De oorzaak is dat de dichter een rechtvaardige is.



Vers 96

Gods woord blijft.

Onbegrensd.

Letterlijk: zeer ruim.



Vers 97

Liefde.

Wie Gods geboden doet uit liefde, die heeft God zelf lief.



Vers 98

Maken mij wijzer.

Jezus zegt dat de Schriften van Hem getuigen.

Jezus is de ware Wijsheid.



Vers 99

Ik ben verstandiger..

Dat is géén hoogmoed.

Dat is een feit.

De Heilige Geest heeft zijn verstand verlicht.



Vers 100

Meer inzicht dan de ouderen.

Oudere mensen hebben meer levenswijsheid. Maar de dichter heeft wijsheid die "van boven" komt.



Vers 101

Niet op slechte paden.



Vers 105



Vers 108

Gaven van mijn mond.

We brengen God lof, eer en dank.

Ook in moeilijke omstandigheden moeten we God lof brengen.



Vers 109

Voortdurend in gevaar.

De goddelozen willen niet dat de rechtvaardige God looft. Ze belagen hem.



Vers 113

Halfhartigen.

God vraagt ons héle hart.

Wie halfhartig is, dient God niet volkomen. Die kan ook niet op Gods bescherming rekenen.

Eigenlijk haten ze God.


Ik haat de halfhartigen.



Vers 114

Schuilplaats en schild.

Dit is het samech-couplet.

De letter samech heeft het pictogram van een cirkel. Dat ziet op bescherming.

De Hebreeuwse woorden voor schuilplaats en schild beginnen beide met de letter samech.

Het ziet dus op een volledige bescherming van God.



Vers 115

Ga weg kwaaddoeners.



Vers 116

Ondersteun mij.

Je krachtig te weer stellen tegen kwaaddoeners kan alléén als we steunen op Gods beloften.


Mijn hoop.

De dichter hoopt op Gods beloften. Die maken hem levend.

Onze Hoop is Jezus.

Onze hoop ligt in de verzoening door Jezus.



Vers 118

Hun bedrog is leugen.

Eigenlijk staat het hier dubbel.

Het onderstreept hoe leugenachtig ze spreken.



Vers 119

Wegdoen als schuim.

Het beeld komt uit het smeltproces van zilver of goud. Het schuim wordt verwijderd om het waardevolle metaal zuiverder te krijgen.

Het schuim stelt de goddelozen voor.



Vers 120

Het haar is ten berge gerezen.

De rechtvaardige ziet Gods oordelen. God doet de goddelozen weg als zilverschuim.

De dichter krijgt er kippenvel van.



Vers 121

Recht en gerechtigheid.

Recht en gerechtigheid zijn het fundament van Gods troon.

De dichter houdt zich aan wat God wil.

Het betekent niet dat bij geen zonde doet, maar hij heeft de HEERE zo oprecht mogelijk gediend.

Zonde heeft hij beleden en zo is er niets tussen hem en God.

Daarom vraagt hij Gods hulp.



Vers 122

Wees borg.

Een borg neemt zo nodig de zaken waar. Hij is dan plaatsvervanger.

Jezus is ónze Borg.

Ook Hizkia vroeg God om Borg te zijn.



Vers 123

Belofte van rechtvaardigheid.

Als Jezus komt, voldoet Hij aan de gerechtigheid die Zijn Vader vroeg. Vader is voldaan en tevreden.

Jezus wordt door de Vader uit de dood opgewekt.

Hij is opgewekt om onze rechtvaardigmaking.



Vers 124

Goedertierenheid.

=verbondstrouw.

Volgens Van Dale:

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.



Vers 125

Inzicht.

Als de HEERE ons verstand verlicht, krijgen we inzicht.

We leren Gods woord met geestelijk inzicht verstaan.

We moeten wel bereidwillig zijn, Gods dienaar, om dit te ontvangen.



Vers 127

Meer waard dan goud.

Goud is veel waard, maar het is een tijdelijk bezit.

Gods woord blijft, geeft hoop en troost.

Gods beloften maken ons levend.



Vers 128

Daarom..

De dichter komt tot een conclusie: Gods bevelen zijn waarheid.

Daar wil hij naar leven.



Vers 131

Ik sper mijn mond.

De dichter doet net zoals een jonge vogel.

Hij schreeuwt om voedsel. Hij heeft een honger naar Gods woord.


Hijgen.

Dat kan ook vertaald worden met:



Vers 137

Rechtvaardig.

God is rechtvaardig als Persoon, maar ook in Zijn handelen.

Rechtvaardig als Hij een zondaar rechtvaardig verklaart.

Rechtvaardig ook als Hij Zijn toorn openbaart.

Daarvoor wordt Hij geprezen.



Vers 148

Vroeg op zijn.

De dichter is vroeg op en is dan ook vroeg bezig met Gods woord.



Vers 149

Goedertierenheid.

=verbondstrouw.

Volgens Van Dale:

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid

Leven naar Gods recht.

Zo leefde Jezus toen Hij op aarde was.

Zo moeten wij ook leven. Zo vertonen we Zijn gelijkenis.



Vers 152

Getuigenissen.

Gods woord spreekt over Wie en hoe God is. Ook over wie wij zijn en moeten zijn.



Vers 154

Maak mij levend.

Drie keer komt dat hier terug.

  1. Overeenkomstig Uw belofte. (vs 154)
  2. Overeenkomstig Uw bepalingen (vs 156)
  3. Overeenkomstig Uw goedertierenheid. (vs 159)



<