Juda werd Zijn heiligdom.
Het heiligdom, de tempel stond eigenlijk in het grensgebied van Juda en Benjamin.
Bij David neemt de stam van Juda de leiding van het volk over van Efraïm. Na Salomo grijpt Efraïm de leiding weer terug. Koning Jerobeam, uit de stam van Efraïm, splitst zich af van Juda.
Gods koninklijk bezit.
In Exodus 19:5 heet Israël het persoonlijk eigendom van God.
David krijgt het koningschap over Israël. Aan hem wordt beloofd, dat zijn nageslacht de Messias zal voortbrengen. Die zal eeuwig Koning zijn over het huis van Jakob, zegt de engel Gabriël in
De zee vluchtte.
Het pad liep door de Schelfzee, de Golf van Akaba, vanaf Nuweiba naar Midian in Saoedi-Arabië.
Het volk was op reis naar Sinaï en die berg ligt in Saoedi-Arabië.
Ooit hoedde Mozes daar in Midian de schapen van Jethro en was hij bij Sinaï toen de braambos brandde.
Pad door de Jordaan.
Dat gebeurde bij de intocht in Kanaän. De Jordaan was toen heel vol.
Dit zijn twee beelden van de toekomst.
Springende bergen.
We lezen van de berg Sinaï die beeft.
Wat was er?
Wat zag de zee?
Mozes stond daar in opdracht van God, met de staf van God in zijn hand.
Het pad door de zee kwam er door Gods majesteit en heerlijkheid.
God spreekt en het gebeurt.
En... deze God is ónze God.
Wat zag de Jordaan?
De ark verschijnt als eerste bij de Jordaan. Daarop woonde God.
Gods majesteit maakt een pad.
Wat was er?
God was daar!
Toen Hij daar neerdaalde, beefden de bergen en de heuvels.
Beef aarde.
De dichter roept alle mensen op om ontzag te hebben voor deze machtige God.
De rots geeft water.
Dit wonder gebeurde 2x.
De eerste keer, in Rafidim, moest Mozes op de rots sláán.
De tweede keer, in Kades.
Toen moest Mozes tegen de rots spréken. Helaas sloeg hij erop en mocht toen Kanaän niet in.
Deze plekken van ruzie worden genoemd "Massa en Meriba".
Deze rots was een beeld van Jezus.
Ook Jezus werd maar 1x geslagen.