Hoofdstuk 106


Vers 1

Na de ballingschap.

Vers 47 wijst erop dat deze psalm is gemaakt nadat de wegvoering had plaats gevonden.


Halleluja.

= Loof de HEERE.


Goedertierenheid.

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.



Vers 3

Recht en gerechtigheid.

Recht en gerechtigheid doen, hoort bij gelovigen. We zien het b.v. in het leven van David.



Vers 4

Denk aan mij, zie naar mij.

Met dit gebed heeft de dichter meerdere doelen. Ze staan in vers 5.



Vers 5

Uitverkorenen.

Dat zijn hier de Joden.

Úw volk.

Dat is het volk Israël.

Israël is het persoonlijke eigendom van God.



Vers 6

Schuld belijden.

Dit schuld belijden belooft veel goeds.



Vers 7

Uw wonderen.

Dat zijn de tien plagen.

Ze hebben ze zeker gezien, maar het leidde niet tot oprecht geloof in God.


Ongehoorzaam bij de zee.

De Schelfzee is de Golf van Akaba.

De Israëlieten waren ongehoorzaam en mopperden.



Vers 8

2 redenen voor de verlossing van Israël.

  1. Gods naam.
  2. Om Zijn macht opnieuw te laten zien. Dit wonder wordt alle eeuwen door herdacht en doorverteld tijdens de pesachmaaltijd.



Vers 9

De Schelfzee.

Dat is de Golf van Akaba.



Vers 10

Hater en vijand.

Dat is farao.



Vers 11



Vers 12

Lofzang voor God.



Vers 14

Gulzigheid.



Vers 15

God gaf wat ze begeerden.

Uitteren.



Vers 16

Jaloers op Mozes en Aäron.



Vers 17

Gods straf.

De opstandelingen Korach, Dathan, Abiram gaan levend naar de sheool, het dodenrijk.

De groep van 250 andere opstandelingen sterft door vuur.

De dichter noemt hen goddelozen in vers 18.



Vers 19

Een gouden kalf.

De historische volgorde is anders dan in deze psalm.



Vers 20

Hun Eer.

Dat is hun God.


Evenbeeld van een rund.

Ze maakten een beeld van de Egyptische afgod Apis, een stier.

Ze zondigden tegen het 2e gebod.



Vers 22

Land van Cham.

Cham was een zoon van Noach.

Het land hier bedoeld is Egypte.



Vers 23

God wil Israël vernietigen.

Wel 2x wil God Israël te gronde richten.

Mozes bidt beide keren 40 dagen voor het volk.

Hij brengt God tot andere gedachten. Dat is heel bijzonder, maar mogelijk.



Vers 24

Ze geloofden Zijn woord niet.

Nadat de twaalf verspieders terugkwamen, spraken alleen Jozua en Kaleb in geloof dat God dit land zou geven.



Vers 26

Neervellen in de woestijn.

Iedereen die 20 jaar of ouder is, zal in de woestijn sterven.



Vers 27

Verstrooien door de landen.

Deze profetie krijgt zijn vervulling nog veel verder, bij de wegvoering van het 10-stammenrijk door Assyrië en het 2-stammenrijk door Babel.

Het kan ook zijn dat deze psalm gemaakt is ná de wegvoering.



Vers 28

Afgoderij met Baäl-Peor.



Vers 29

Een dodelijke plaag.

24.000 doden.



Vers 30

Pinehas oefende gericht.

Dit woord "gericht" wordt elders vertaald met

Pinehas.

Hij was priester, zoon van Eleazar en kleinzoon van Aäron.



Vers 31

Gods verbond van vrede.

God geeft, volgens Numeri 25:12-13, aan Pinehas Zijn verbond van vrede.

Dat is een eeuwig verbond met de priesters.



Vers 32

Water van Meriba.

Meriba = onenigheid.

Dit gebeurde 2x. De eerste keer bij Rafidim,

aan het begin van de woestijnreis en de tweede keer aan het eind van de reis, bij Kades.

De eerste keer moest Mozes slaan op de rots.

De tweede keer moest hij spreken tegen de rots.

Helaas sloeg Mozes die tweede keer en daardoor mocht hij het beloofde land niet binnengaan.



Vers 33

Mozes mocht niet in Kanaän.

Hebreeen 4:8-10.



Vers 35

Vermenging met heidenen.



Vers 37

Verboden offers.

Kinderoffers voor Moloch had God verboden. Dat waren occulte zaken.



Vers 38

Bloedschulden in het land.

Vreselijke offers, kinderoffers, voor de afgoden, voor demonen.

Zo werd het land verontreinigd en voor het land kan géén verzoening worden gedaan.

Hoe moest het land van die bloedschuld verlost worden?

Zo begrijp je de vreselijke straf die over Israël kwam, tot zelfs wegvoering.



Vers 39

Hoererij.

  1. Afgoderij wordt hoererij genoemd, omdat Israël God, haar Man, verlaat en "vreemd gaat".
  2. Bij de afgoderij was tempelprostitutie een vast onderdeel.



Vers 40

Afschuw van Zijn eigendom.

Israël is het persoonlijk eigendom van God.



Vers 41

Heidenen heersten over hen.

Dat gebeurde in de richterentijd en later, totdat het eindigde in ballingschap. Het ging daarna nog door totdat in 1948 Israël weer mocht wonen in Gods land.


Rijken die geprobeerd hebben om Israël te vernietigen zijn te gronde gericht en zullen in de toekomst te gronde gaan.



Vers 45

Goedertierenheid.

=verbondstrouw.

Volgens Van Dale:

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.



Vers 46

Bewees hun barmhartigheid.

Iedere keer in de richterentijd, als Israël zich tot God wendde, gaf Hij een verlosser. Hij stuurde richters. Zo bleek Zijn barmhartigheid.

Ook later is Israël vaak verlost.


Toekomst.

Ook in de eindtijd zal God een gelovig overblijfsel van Israël behouden uit de vervolging door de antichrist.



Vers 47

Het volk terugbrengen.

Uw naam worde geheiligd.

Ezechiel 36:20-23 zegt: God heiligt Zijn Naam.

Als de Joden terug zijn, is er weer een volk en dan kan Jezus koning worden over de Joden, zoals Gabriël zei.

We bidden deze bede "Uw Naam worde geheiligd" dus i.v.m. het aanstaande koninkrijk, het vrederijk van de Messias.


Traditionele uitleg (HC) van "Uw Naam worde geheiligd.

Dus bij deze uitleg van de catechismus heiligen wij Gods naam.

Ezechiël profeteert dat God zelf Zijn Naam heiligt.


Beroemen in Uw lof.

In KJV staat:

In de cultuur van het oude Rome was triomferen niet het behálen van de overwinning, maar het víéren van de reeds behaalde overwinning.

Als we God prijzen vieren we het feit dat Hij reeds overwonnen heeft.



Vers 48

Einde van het 4e psalmboek.

We kennen 66 bijbelboeken, maar als we de vijf psalmboeken apart zouden tellen, dan zijn er 70 bijbelboeken.

Bijzonder, want 70 is het getal van de volken.



<