Hoofdstuk 105


Vers 1

De dichter. David?

Deze psalm staat gedeeltelijk letterlijk in

Dus de psalm is waarschijnlijk van David.


Er wordt wel over weldaden gesproken, maar niet over zonden.



Vers 3

Blijde zoekers.

Blij zijn in God, zélfs als we nog naar Hem zóéken.

Zoekers zullen vooral gelovigen zijn. Zij zoeken:



Vers 4

Zoek Zijn aangezicht voortdurend.

Wie Gods aangezicht voortdurend zoekt, is steeds op Hem gericht.

Wie zo leeft, wordt voor zonden bewaard.



Vers 5

Denk aan Zijn wonderen.



Vers 6

Uitverkorenen.

Dat zijn hier de Joden.

Zaad van Abraham.

In 1 Kronieken 16:7-16 lezen we een deel van Psalm 105.

In 1 Kronieken 16:13 staat Israël ipv Abraham.



Vers 8

Zijn verbond is eeuwig.

Het gaat over het eeuwige verbond met Abraham.

Belofte is de landbelofte.

De hierbij behorende belofte is de landbelofte.

We zingen dit lied vaak bij een doopplechtigheid, maar deze belofte die bij dit verbond hoort, is de landbelofte voor Israël en niet een doopbelofte.



Vers 11

Kanaän, beloofd land.

Het is Gods land.

Het is het Heilige land.

De landbelofte is onderdeel van Gods verbond.



Vers 12

Met weinig mensen..

Dat was in de tijd van Abraham en Izak en Jakob.



Vers 13

Volk naar volk.



Vers 14

Hen te onderdrukken.

Hen = De aartsvaders.



Vers 15

Mijn gezalfden.

Ze waren niet met olie gezalfd, maar wel met Gods Geest.


Mijn profeten.



Vers 16

Hongersnood.

Tijdens die hongersnood was Jozef onderkoning in Egypte.



Vers 19

Zijn woord kwam uit.

De dromen van Jozef over zijn verhoging kwamen uit. Zijn broers en zijn ouders buigen voor hem, de onderkoning.


Gods beloften louterden Jozef.

Jozef heeft zijn twee dromen als beloften van God ervaren. Maar Jozefs weg ging door diepe vernedering naar de verhoging. Toch hield Jozef vast aan Gods beloften, ondanks de loutering.



Vers 20

De koning.

Dat was een hyksos-farao, een vreemde overheerser.

Hij was geen Egyptenaar van origine.



Vers 21

Hij stelde hem aan.

Farao stelde Jozef aan tot onderkoning.



Vers 22

Grote macht voor Jozef.



Vers 24

De tegenstanders.

Dat zijn de Egyptenaren.



Vers 25

Hij veranderde hun hart.

Hier gebeurt hetzelfde als bij farao. Farao verhardde zich steeds. Op een bepaald moment gaf God hem aan de verharding over. Zo deed God ook met het ongehoorzame Israël.

Zij haatten Israël.

De Egyptenaren verdreven een opvolger van de overheersende Hyksos-farao onder wie Jozef onderkoning was.

Toen kwam er weer een Egyptische farao. Die zag Israël als een volk dat had geheuld met de vijand, de onderdrukkende Hyksos.

Daarom haatten de Egyptenaren Israël.



Vers 27

De tekenen.

Dat zijn de 10 plagen.



Vers 28

9e plaag.

Drie dagen duisternis.



Vers 29

1e plaag.



Vers 30

2e plaag.



Vers 31

3e + 4e plaag.



Vers 32

7e plaag.



Vers 33



Vers 34

Letterlijk:

Uw jeugd vernieuwt...

Als de arend in de rui gaat, dan ruit hij veer voor veer.

De hele rui duurt wel 6 tot 12 maanden. Het is dus een voortdurende vernieuwing.

Zo moet ook ons leven een voortdurende vernieuwing zijn.


Een arend wordt tijdens de rui niet letterlijk weer jong. Hij vervangt geleidelijk zijn oude veren door nieuwe. Dat kan vele maanden duren. Vooral de grote vleugel- en staartveren worden niet allemaal tegelijk vervangen, want dan zou de vogel niet meer goed kunnen vliegen.

David gebruikt de arend als beeld van vernieuwing.

De gedachte is: God vernieuwt de mens en geeft hem opnieuw kracht.

Het Hebreeuwse beeld is bijzonder. De mens blijft dezelfde persoon en wordt natuurlijk niet opnieuw jong. Maar zijn kracht en levenslust kunnen door God vernieuwd worden.
Dat past ook goed bij Jesaja 40:31.


Oude legende.

Er bestaat een oud verhaal dat een oude arend zijn snavel tegen een rots stoot, waardoor de oude snavel afbreekt. Daarna zou een nieuwe snavel aangroeien, waarna hij zijn oude veren uittrekt en zo weer jong wordt. Dat verhaal is biologisch niet waar!



Vers 34

8e Plaag.



Vers 36

10e plaag.



Vers 38

Exodus 12:33-35.



Vers 39

Exodus 13:21.



Vers 40

Exodus 16:13.



Vers 41

Numeri 20:8.



Vers 44

Het land vd heidenvolken.

Het land Kanaän.

Daar woonden 7 volkeren.



Vers 45

God gaf met een doel.

Hier staat Gods doel.

Helaas beantwoordde Israël niet aan dat doel.

Ze gingen dezelfde weg als de heidenvolken en daarom moesten zij ook het beloofde land verlaten.



<