Hoofdstuk 107


Vers 1

Zelfde begin als Psalm 106.

Psalm 107 mist "halleluja", maar verder is de opening van deze Psalm gelijk aan Psalm 106:1.


Wie loven God?

In Psalm 106:47 zijn het de Joden die loven.

In Psalm 107 wordt de groep die God moet loven veel groter. Zelfs heidenen vallen daaronder.

Zij loven God om Zijn wonderen onder de mensenkinderen.



Vers 3

Uit de landen bijeengebracht.

Het gaat hier waarschijnlijk over teruggekeerde Joden, die terugkeerden nadat koning Kores daarvoor toestemming gaf.

Ze zijn bijeengebracht in Israël


En van de zee.

I.p.v. zee heeft de Engelse NIV:



Vers 10

Groep 2.

Het gaat, volgens vers 11 over mensen die ongehoorzaam waren aan God. Daardoor kwamen ze in duisternis en ellende.

Of zelfs in een gevangenis.

Gevangen in ellende en ijzer.

Galilea heet ook wel Galilea van de heidenen.

Daar waren veel invallen van vijanden.



Vers 13

God verlost.

Als deze ongehoorzamen zich bekeren en zich tot God wenden, dan hoort God.

Wie Hem zoeken, zullen Hem vinden.



Vers 17

Groep 3.

Het gaat over dwazen.

Ze zondigen tegen God.

Die zondige wegen leverden hen veel narigheid.

Ze zijn ziek van ellende. Ze lusten geen voedsel meer. De dood grijnst hen aan.



Vers 18

Grote ellende.

Een voorbeeld zien we in het belegerde Samaria.



Vers 22

Lofoffers brengen.

Lofprijzing is heel belangrijk.



Vers 23

Groep 4.

Zeelieden in nood.



Vers 24

Wonderen.



Vers 25

Wanneer Hij spreekt.



Vers 27

Al hun wijsheid.

Ervaring en stuurmanskunst schieten tekort in de storm.



Vers 28

In hun benauwdheid.

De benauwdheid is hier de hevige storm waardoor ze dreigen te vergaan.



Vers 33

Wat doet God nog meer?

De rest van de psalm gaat over

God spreekt in oordelen.

God geeft droogte om slechte mensen tot inkeer te brengen. (vs. 34)



Vers 38

Hij zegent.

In dit vers zegent God.

In het volgende vers trekt God Zijn zegen juist in.



Vers 40

Verachting over edelen.

De rijken gaat het slecht als God Zijn zegen inhoudt.



Vers 41

De arme in een vesting.

Als God zegent, dan gaat het een arme goed en neemt hij de plaats in van iemand die vroeger op een kasteel woonde.



Vers 42

Blijde oprechte mensen.

De oprechten zien de grote daden van hun God.

Ze zien zijn barmhartigheid en goedheid, Zijn grote liefde.

Ze verblijden zich dat hun God zó is.

Wie dat opmerkt is wijs! (Vers 43)



Vers 43

Wie is wijs?

Ieder die Gods daden ziet en Hem daarom eert.


Goedertierenheid.

=verbondstrouw.

Volgens Van Dale:

Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.



<