Zelfde begin als Psalm 106.
Psalm 107 mist "halleluja", maar verder is de opening van deze Psalm gelijk aan Psalm 106:1.
Wie loven God?
In Psalm 106:47 zijn het de Joden die loven.
In Psalm 107 wordt de groep die God moet loven veel groter. Zelfs heidenen vallen daaronder.
Zij loven God om Zijn wonderen onder de mensenkinderen.
Uit de landen bijeengebracht.
Het gaat hier waarschijnlijk over teruggekeerde Joden, die terugkeerden nadat koning Kores daarvoor toestemming gaf.
Ze zijn bijeengebracht in Israël
En van de zee.
I.p.v. zee heeft de Engelse NIV:
Groep 2.
Het gaat, volgens vers 11 over mensen die ongehoorzaam waren aan God. Daardoor kwamen ze in duisternis en ellende.
Of zelfs in een gevangenis.
Gevangen in ellende en ijzer.
Galilea heet ook wel Galilea van de heidenen.
Daar waren veel invallen van vijanden.
God verlost.
Als deze ongehoorzamen zich bekeren en zich tot God wenden, dan hoort God.
Wie Hem zoeken, zullen Hem vinden.
Groep 3.
Het gaat over dwazen.
Ze zondigen tegen God.
Die zondige wegen leverden hen veel narigheid.
Ze zijn ziek van ellende. Ze lusten geen voedsel meer. De dood grijnst hen aan.
Grote ellende.
Een voorbeeld zien we in het belegerde Samaria.
Lofoffers brengen.
Lofprijzing is heel belangrijk.
Groep 4.
Zeelieden in nood.
Wonderen.
Wanneer Hij spreekt.
Al hun wijsheid.
Ervaring en stuurmanskunst schieten tekort in de storm.
In hun benauwdheid.
De benauwdheid is hier de hevige storm waardoor ze dreigen te vergaan.
Wat doet God nog meer?
De rest van de psalm gaat over
God spreekt in oordelen.
God geeft droogte om slechte mensen tot inkeer te brengen. (vs. 34)
Hij zegent.
In dit vers zegent God.
In het volgende vers trekt God Zijn zegen juist in.
Verachting over edelen.
De rijken gaat het slecht als God Zijn zegen inhoudt.
De arme in een vesting.
Als God zegent, dan gaat het een arme goed en neemt hij de plaats in van iemand die vroeger op een kasteel woonde.
Blijde oprechte mensen.
De oprechten zien de grote daden van hun God.
Ze zien zijn barmhartigheid en goedheid, Zijn grote liefde.
Ze verblijden zich dat hun God zó is.
Wie dat opmerkt is wijs! (Vers 43)
Wie is wijs?
Ieder die Gods daden ziet en Hem daarom eert.
Goedertierenheid.
=verbondstrouw.
Volgens Van Dale:
Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.
HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.