Hoofdstuk 101


Vers 1

Verdeling.

Goedertierenheid.

Dat is de wil van God om

HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.

Voor U psalmen zingen.

David zingt over Gods deugden.

Dit zingen hoort bij het dienen van God. We moeten Hem dienen met blijdschap.



Vers 2

Verstandig en oprecht.



Vers 3

Vrees des HEEREN.

Wat David hier schrijft laat godsvrucht zien.



Vers 4

Oprechtheid.

David laat de godsvrucht zien in de levenswandel. Dat vraagt God ook van ons.



Vers 5

Ombrengen.

David tolereert lasterpraat niet.


Hoogmoedig.

God houdt niet van hoogmoed.

Jezus zegt: "leer van Mij dat Ik nederig ben."

Trotse ogen.

In Psalm 101:5 komen ze bij elkaar, hoogmoedige ogen en trots.

David kan dat niet verdragen. Hij lijkt daarin op Zijn God.

Zo moeten ook wij op Jezus lijken. Men moet Hem in ons herkennen.



Vers 6

Trouwe mensen.

David zoekt integere medewerkers.

Zelf stond hij ook een trouw man bekend.

Op de volmaakte weg gaan.

Op deze weg zoekt David naar zijn medewerkers. Zelf gaat hij ook op die weg.

Daarin lijkt hij op Jezus, Die vraagt ook volmaaktheid van ons.



Vers 7

De koning is ook rechter. 's Morgens houdt hij zitting. Schuldigen worden veroordeeld en moeten Jeruzalem verlaten.

David was zelf bij Saul in het paleis gekomen omdat hij trouw was.



<