Hoofdstuk 3


Vers 1

Geboortedag vervloekt.

Uit dit hoofdstuk spreekt diep leed en grote pijn.


Ook Jeremia vervloekte zijn geboortedag.

Ook Prediker brengt iets dergelijks onder woorden.



Vers 8

De dag vervloeken.

Deze geboortedag moet in duisternis verdwijnen.


De Leviathan .

De Leviathan geldt in het Oude Testament als een vernietigend zeemonster. Het is een dinosaurus.


Letterlijk:

De tovenaars vertelden dat ze dit monster zo woest konden maken dat de zon verduisterde.

Laten deze tovenaars mijn geboortedag maar vervloeken.



Vers 10

Deuren van mijn buik.

Dat is de buik van zijn moeder, waarin Job als embryo groeide.

Die buik bracht Job op de wereld en zo ging hij zijn ongeluk tegemoet.



Vers 12

De knieën.

Waarom werd ik op schoot genomen en lag ik daar heerlijk?

Och, had ik dit levensgeluk maar nooit meegemaakt.



Vers 13

Ik zou slapen.

Het verblijf in het dodenrijk is een "doodslaap".



Vers 14

Puinhopen opbouwden.

In SV staat:

Ze bouwden er waarschijnlijk graftombes, piramides.



Vers 16

Miskraam of dood geboren.

Die werden snel weggedaan, soms zelfs zonder dat moeder er iets van had gezien.



Vers 17

Daar...

Daar in het dodenrijk.

De drijvers beulen daar de slaven niet meer af.

Ieder heeft daar rust.



Vers 18

Gevangenen.

De geesten in het dodenrijk worden gevangenen genoemd.

De SV heeft:

Volgens Handelingen 2:24 werd Christus met weeën, smarten , dus banden (volgens de kanttekening) des doods gebonden, maar de Vader ontbond die banden en ook Deze "Gebondene" kreeg vrijheid. Jezus' geest was dus ook gebonden in het dodenrijk. Jezus is ook gekomen om de gebondenen vrijheid te geven.

Hades, het dodenrijk, had een afdeling "smarten" en afdeling "gebondenen." Daar zaten resp. de rijke man en de arme Lazarus.

Lazarus was in de schoot van Abraham, dus die was daar ook.



Vers 19

Ieder komt in het dodenrijk.

De kleine en de grote zijn daar.

Psalm 89:49 zegt dat niemand aan de "sheool"= het dodenrijk kan ontkomen. Zie de aantekeningen daar.


Job wil daarheen. Daar is rust.



Vers 20

Waarom?

Op dit moment heeft Job alleen oog voor zijn ellende.

Dat is anders in

De "waarom-vraag" komt 3x terug.



Vers 22

Het graf vinden.

qeber qibrâh = graf.



Vers 23

Grote vragen.

Job meent dat al dit leed van God komt, maar satan veroorzaakt al deze ellende.

Job begrijpt Gods daden niet. Hij stelt vragen. Hij is boos.

Maar... hij gaat steeds naar God. Hij houdt God vast.

Zo moeten ook wij doen in lijden!


God verspert de weg.

Job wil wel sterven, maar God wil dat niet. God belet dat.



Vers 24

Toestand van Job.

Elke dag staan verdriet en klachten op de menukaart van Job.



Vers 26

Geen rust.

Job krijgt zijn hoofd en zijn hart niet rustig. Wat hem overkwam is moeilijk om te aanvaarden.

Job gooide er van alles uit. Dat lucht op.

Later noemt hij het "onbezonnen woorden".



<