Hoofdstuk 4


Vers 1

Elifaz.

Waarschijnlijk is hij de oudste. Bovendien ontvangt hij visioenen.

Voor Elifaz staat vast dat rampspoed en ongeluk aan dwaasheid te danken is.

Hij geeft Job een advies: buig onder Gods slaande hand.


Volgende ramp.

Nu wordt Job uitgestoten door zijn vrienden.

Uitgestoten door de vromen.

De vrienden laten zich leiden door de verschrikkingen die Job troffen. Ze laten zich niet leiden door zijn rechtvaardigheid.

De drie vrienden zijn het met elkaar eens: Wie de HEERE vreest, die zal het altijd goed gaan!

Job moet dus een zondaar zijn.

Ze geloven in een godsdienst om beloning of uit vrees voor straf. Zo staan ze helaas aan de kant van satan.


Draagt elkaars lasten.

Onze opdracht is om elkaars lasten te drágen en niet om de lasten van het lijden te verkláren.



Vers 15

Een geest trok voorbij...

Was dit een geest van God?

Waarschijnlijk was dit een demon.

God had tegen satan gezegd dat Job rechtvaardig was. Elifaz beweert precies het tegengestelde.



Vers 16

Toch zichzelf bedrogen.

Elifaz meent dat God heeft gesproken in een visioen. Maar... de inhoud is in tegenspraak met wat God eerder over Job heeft gezegd.

God noemde Job rechtvaardig, maar Elifaz ontkent dat.

Dit visioen is zeker NIET van God.



Vers 18

Legt Hij dwaling ten laste.



Vers 19

Wat willen de vrienden?

Ze willen dat Job zichzelf onderzoekt.

Kijk maar eens of er heimelijke, zondige daden zijn.

Kom dan tot schuldbelijdenis.



<