Hoofdstuk 3


Vers 1

Welke farao?

De Studiebijbel noemt farao Siamoen (980-960)

Anderen noemen farao Prusennes.



Vers 3

Salomo had de HEERE lief.

De HEERE had ook Salomo lief.

Offerhoogten.

Later, als de tempel er is, is offeren op andere hoogten verboden.



Vers 4

Op dat altaar.

In Gibeon stond nog het oude brandofferaltaar uit de tijd van Mozes.



Vers 6

Rechtvaardigheid.

Het Chinese karakter voor "rechtvaardigheid" bestaat uit 2 kleinere karakters: ik en lam.

Het karakter "lam" staat boven het karakter "ik".

Dus: het Lam (Jezus) van boven vernieuwt "mij" beneden. Dat is rechtvaardigheid.

Zo staat het evangelie ook in Chinese karakters.

Gods waarheid is bewaard in meer dan 125 Chinese karakters. 3000 jaar v C. dienden de Chinezen nog de ware God.



Vers 7

Een jonge man.

Waarschijnlijk had Salomo al een zoon, want Salomo regeert 40 jaren volgens

maar zijn opvolger Rehabeam is al 40 jaar als hij gaat regeren.



Vers 8

Niet geteld kan worden.

Dat is sterk overdreven, want David liet Joab het volk tellen.



Vers 9

Opmerkzaam hart.

Letterlijk:

Het gaat over actief luisteren naar Gods geboden.

"Hart" staat voor denkvermogen.



Vers 14

Uw dagen verlengen.

De wet houden hoort bij een lang leven.



Vers 15

Ook offers in Jeruzalem.

In de tabernakel in Jeruzalem was de enige ark. Na de offers in Gibeon, offert Salomo ook in Jeruzalem.



<