Hoofdstuk 2


Vers 1



Vers 5

David en Joab.

David had zich zwak gemaakt t.o. Joab doordat hij Joab inschakelde om Uria te laten doden.

Joab doodde Absalom tégen het bevel van David in.

David had zelf de dood van Uria op zijn geweten. Hij strafte de moordenaar Absalom niet. Die vermoordde zijn broer Amnon. David kon ook moeilijk de moordenaar Joab straffen voor zijn moorden op Abner en Amasa en Absalom.



Vers 6

Graf.

Letterlijk:Sheool.

Sheool = dodenrijk.



Vers 11

Davids graf.

In Handelingen 2:29 weet Petrus nog precies waar het graf van David is.



Vers 17

Abisag.

Abisag was Davids verpleegster, maar het volk hield haar voor Davids bijvrouw.

Wie bezitter was van het vrouwenhuis, had ook rechten op de troon.



Vers 19

Aan de rechterhand.

Dat is een ereplaats.



Vers 24

Een koningshuis gemaakt.

Salomo had al een zoon, Rehabeam.

Zie aantekeningen bij



Vers 25

Adónia sterft.

Dit is de 4e zoon van David die sterft.

David zelf had over viervoudige straf gesproken.



Vers 26

Leeftijd van Abjathar.

Hij was al bij David toen deze voor Saul vluchtte.

Hij was de enige priester die de moord in Nob overleefde.

Een priester was 30 jaar als Hij dienst ging doen. Hij zwierf ongeveer 10 jaar met David rond en David regeerde 40 jaren.

Abjathar moet dus ongeveer 80 jaar zijn.



Vers 27

Profetie over Eli vervuld.

Die profetie maakte God via een onbekende profeet aan Eli bekend.

Onder Salomo wordt het laatste van deze profetie vervuld.


Abjathar verdreven.

God gaat verder met Zadok.

Dat is de lijn van



Vers 28

Joab greep de hoorns..

Joab had in vredestijd 2 mensen vermoord:

1 Koningen 2:31-32.

Volgens Exodus 21:14 was het altaar daarom geen vrijplaats voor hem.


Brandofferaltaar.

Dit was een nieuw gemaakt brandofferaltaar.

Het oude brandofferaltaar, uit de tijd van Mozes, stond nog op de offerhoogte in Gibeon.



Vers 39

Achis, zoon van Maächa.

Van Achis I kreeg David de plaats Ziklag om daar te wonen.



Hier gaat het over Achis II, want Achis I was een zoon van Maoch en niet een zoon van Maächa.



Vers 46

Simeï sterft.



<