Hoofdstuk 20


Vers 1

Benhadad.

Dat is een titel.

Net als farao.

= zoon van Hadad.

Hadad is de onweersgod.



Vers 13

Een profeet.

Naast Elia, Elisa, en Micha was er dus nog een profeet.


God helpt met het doel dat Achab God weer zal dienen.



Vers 14

232 Jonge mannen.

Ze waren uit de omliggende gewesten naar Samaria gevlucht.



Vers 19

Het leger.

De 7000 soldaten uit Samaria.



Vers 21

Grote slag.

God kan evengoed door weinig mensen als door veel mensen verlossen.



Vers 23

Hun goden zijn berggoden.

De Syriërs bedoelen niet Baäl of Astarte. Ze bedoelen JHWH.



Vers 26

Aanbreken vh nieuwe jaar.

Dat is de maand Abib / Nisan.

Dat is onze lente.


Afek.

Dat ligt in het noorden, in de vlakte van Jizreël, niet ver van Endor.



Vers 27

2 kleine geitenkudden.

Opnieuw verlost God door een klein aantal soldaten.



Vers 34

Een markt.

Een handelshuis.



Vers 35



Vers 39

Eén talent = 30 kg.



Vers 43

Somber gestemd.

Achab wist nu uit ervaring dat Gods woorden uitkomen.



<