Hoofdstuk 19


Vers 3

Elia vluchtte.

Het grote geloof dat Elia op Karmel had, is nu een klein geloof.



Vers 4

bad om te mogen sterven.

Letterlijk: bad zijn ziel te sterven.

Ziel is "zijn persoon" en niet een onsterfelijk deel van ons.



Vers 8

Afstand.

Van Beërseba tot Horeb (Sjebel al Laws) in Midian (Saoedi-Arabië) is 320 km hemelsbreed.


40 dagen.

40 dagen zonder eten.



Vers 9

Een grot.

Elia leert dat God genadig is.



Vers 10

Ik ben alléén over.

Elia kon beter weten. Er waren nog meer godvrezenden.



Vers 11

God gaat Zich openbaren.



Vers 15

Hazaël.

Deze wrede Syrische koning zal Israël gaan straffen voor het verlaten van God.

Hij werd niet door Elia gezalfd, maar Elisa ontmoet Hazaël later, maar van zalving lezen we niets.



Vers 16


Jehu.

Jehu zal Achabs koningshuis straffen.

Ook Jehu werd niet door Elia gezalfd. Elisa geeft de opdracht aan een leerling.

Zoon van Nimsi.

Jehu is de zoon van Josafat, en de kleinzoon van Nimsi.

Elisa zalven.

God geeft wel de opdracht, maar in vers 19 lees je niets over een zalving van Elisa.

Als de zalving heeft plaats gevonden, dan is Elisa de enige profeet die gezalfd is.



Vers 18

Gekust.

Men kuste de voet van het beeld.

Men kuste ook heilige stenen.



Vers 19

Elisa.

= Mijn God is mijn Zaligmaker.


12 span runderen.

Men ploegde met ossen.

Vaak werkte men in groepsverband.

Hier werkt Elisa samen met 11 anderen.



<