Hoofdstuk 21


Vers 3

Bezit van mijn vaderen.



Vers 9

Een vasten.

Dat deed men als er een erge zonde was begaan.



Vers 13

Ze stenigden hem.

Volgens 2 Koningen 9:26 werd het hele gezin gestenigd.

Er was zo geen erfgenaam meer over.


Waar?

Het lijkt dat de steniging in Jizreël plaats vond.

Maar Achabs bloed werd in Samaria door de honden opgelikt en niet in Jizreël.

Om een letterlijke vervulling moet Naboth eigenlijk in Samaria gestenigd zijn.



Vers 16

Naar de wijngaard.

Achab moest van Samaria naar Jizreël. Tegelijk ging Elia daar op Gods bevel ook naar toe.



Vers 19

Ja, het uwe.

Achab verootmoedigde zich. Daardoor werd de straf anders.

Achabs bloed likten de honden in Samaria.

Bij Joram en Izebel werd dit woord wel vervuld in Jizreël.


Opmerkelijk.

Opmerkelijk is dat Elia veel meer tegen Achab zegt dat we lezen bij Gods opdracht. Juist over datgene wat God opdraagt om te zeggen lezen we niet dat Elia dat tegen Achab zegt.



Vers 22

Vreselijke boodschap.

Bij deze boodschap stond ook Jehu. Hij moest later deze straf uitvoeren.



Vers 24

Door honden opgegeten.

Dit overkwam Izebel.



Vers 27

Inkeer van Achab.

Dit was een tijdelijke verbetering van zijn zondige leven.

Het was misschien geen huichelarij, maar het was geen ware bekering.



Vers 29

Achabs inkeer.

Achab had weinig berouw en dat leidde ook niet tot bekering, en toch wil God het oordeel uitstellen.

God is barmhartig en genadig.

Let op: ons berouw is voor God nooit diep genoeg, maar daarop moeten we zeker niet wachten en ons daardoor zeker niet laten verhinderen om tot God te gaan.



<