Hoofdstuk 18


Vers 1

David stelt bevelhebbers aan.

David neemt zijn verantwoordelijkheid, hij toont zich strateeg. Hij neemt de maatregelen die nodig zijn.

Toch zit David in een moeilijke positie. Hij is ook vader. Hij geeft het leger opdracht om voorzichtig met Absalom om te gaan.



Vers 3

Als 10.000 van ons.

Het leger van David was waarschijnlijk groter dan 10.000 man.

Een kleine afdeling blijft bij de koning in Mahanaïm.



Vers 6

Bij het woud van Efraïm.

Beide legers waren in het Over-Jordaanse.

Het gebied van Efraïm ligt aan de westkant vd Jordaan.



Vers 8

Het woud verslond er meer.

Veel krijgers kwamen om in kloven of moerassen.



Vers 9

Zijn hoofd zat vast.



Vers 15

10 wapendragers.

Absalom was nog niet op slag dood. De wapendragers maakten een einde aan het leven van Absalom.

In 2 Samuel 23:37 staat de held Náharai als één van de wapendragers van Joab.



Vers 17

Grote hoop stenen.

Een smadelijk gedenkteken.



Vers 18

Koningsdal.

Het dal bij Jeruzalem waar eens Abraham koning Melchizedek ontmoette.


Geen zoon.

Volgens 2 Samuel 14:27 had Absalom wel zonen gehad of zijn dat 3 kleinzonen, zonen van zijn dochter Thamar?

Dit gedenkteken markeert dus niet zijn graf.



Vers 21

Cusjiet.

Een Ethiopiër.

Hij liep de kortste weg, maar niet de makkelijkste.



Vers 22

Passende boodschap.

Een goede boodschap waarvoor men bodenloon kreeg.



Vers 26

Alléén rennen.

In een groep zouden het vluchtelingen zijn.



Vers 33

David huilde.



<