Hoofdstuk 17


Vers 1

Wijze raad van Achitofel.



Vers 2

Alleen de koning doden.

Achitofel raadt om alleen David te doden, maar Husaï wil veel meer tegenstanders doden.



Vers 9

Sommigen van hen vallen.

Dat zijn soldaten van Absalom.



Vers 11

Ga zelf mee.

Die raad gaf Achitofel niet. Die liet Absalom thuis blijven.



Vers 13

Niet één steentje.

Steentjes liggen er zat ná zo'n verwoesting.

Beter vertaald:



Vers 14

God bestuurt alles.

God verijdelt de raad van Achitofel.

Absalom rekent erop dat heel Israël zich achter hem zal scharen, maar hij vergist zich.



Vers 17

Jonathan en Ahimaäz.

Wie zijn het?

Ahimaäz is een snelle loper.

Ahimaäz is later schoonzoon van koning Salomo en gouverneur van David in Nafthali.

De slavin.

Zij deed alsof ze water ging halen, maar bracht een geheime boodschap over.



Vers 18

Bahurim.

Dezelfde plaats waar Simeï David vervloekte.


Een put.

Dit was waarschijnlijk een waterreservoir dat nu droog stond. Het zal dus aan het eind van de zomer geweest zijn.



Vers 20

Een leugen.

De vrouw liegt om 2 levens te redden.



Vers 23

Achitofels opvolger.

Jojada, de zoon van Benaja, wordt de opvolger van Achitofel.



Vers 24

Mahanaïm.

Dat was een sterke vesting. Het was eens de hoofdstad van Isboseth.



Vers 25

Amasa.

De vrouw van Isaï, Davids vader, had als weduwe van Nahas 2 dochters:

Zeruja en Abigaïl. Die twee waren dus stiefzussen van David.

  1. Zeruja : moeder van Joab, Abisaï en Asahel.
  2. Abigaïl : moeder van Amasa. Die is later de generaal van Absalom.

Amasa was dus een oom-zegger van David en een neef van Absalom.



Vers 27

Sobi.

Hanun, de zoon van Nahas, behandelde David vijandig.

Zijn broer Sobi behandelde David goed toen David vluchtte voor Absalom.

Sobi was Davids vazalvorst in Ammon. Hij was ipv zijn broer Hanun.


Machir.

Deze man had jaren voor Mefiboseth, de zoon van Jonathan, gezorgd en hem verborgen totdat Mefiboseth bij David ging wonen.


Barzillai.

Wie was deze man?



Vers 29

Kazen van koeien.

Het kan ook vertaald worden met: jonge kalveren.



<