Hoofdstuk 14


Vers 1

Zich bezighield.

Davids hart was tegen Absalom.

Chileab, Davids 2e zoon, was waarschijnlijk gestorven. Absalom zou opvolger moeten zijn.



Vers 2

Tekoa.

Een plaats 16 km ten zuiden van Jeruzalem.



Vers 8

Ik zal bevel geven.

David neemt de doodslager in bescherming omdat hij het niet met voorbedachte rade deed.



Vers 9

De ongerechtigheid op mij.

De ongewroken bloedschuld komt niet voor rekening van David, maar neemt de weduwe op zich.



Vers 11

Een eed.

David belooft genade boven recht.



Vers 13

Waarom....?

Waarom hebt u tegen een ander, die ook tot Israël behoort, zo'n heel ander besluit genomen?

Tegen Absalom is David strenger.



Vers 17

Engel van God.

Dat ziet hier op de wijsheid, zie vers 20.



Vers 21

Haal Absalom terug.

David schenkt geen aandacht aan het feit dat Absalom zijn broer met opzet doodde.


Jongeman.

David zegt niet: mijn zoon.



Vers 26

Gewicht vh haar.

De Septuaginta heeft 100 sikkels ipv 200. Dus 1,15 kg ipv 2,3 kg.



Vers 27

3 zonen en 1 dochter.

2 Samuel 18:18 zegt dat Absalom geen zoon heeft.

Misschien vroeg gestorven?

Deze Thamar was moeder van Maächa en oma van Rehabeam.



Vers 30

Zo was de economische toestand. Hoogste veldheer en kroonprins verbouwen eigen broodkoren.



Vers 33

Géén straf.

Als koning had David moeten straffen. Als hij dat bij Amnon had gedaan, dan had Absalom het niet hoeven doen.

Nu straft David Absalom ook niet.

God strafte de zonde wel en dan nog wel aan Zijn enige, onschuldige Zoon.



<