Hoofdstuk 39


Vers 1

Een Egyptisch man.

Vreemde opmerking. In Egypte zijn toch Egyptische mannen aan het hof.

Misschien duidt dit erop dat de farao géén Egyptenaar was. Hij was waarschijnlijk een overheerser, een Hyksosfarao. Dan verwacht je aan het hof vooral Hyksos.

Maar ... er was dus ook een Egyptenaar, Potifar, aan het hof van de vreemde overheerser.

In Exodus 1:8 gaat het over een nieuwe farao. Waarschijnlijk was dit weer een Egyptenaar nl. Ahmoses, die de Hyksosfarao heeft verdreven. Jozef was bij de Hyksosfarao onderkoning. Daardoor was ook Israël verdacht als bondgenoten van de vijandige Hyksos.

Zie ook aantekeningen bij Genesis 40:11 en Genesis 41:43


Een Egyptische man.

Ook anderen wordt zo genoemd.



Vers 2

De HEERE was met Jozef.

JHWH = HEERE.

JHWH is Gods eigennaam en wordt gebruikt als we Hem ontmoeten in persoonlijke relaties.



Vers 3

Jozef was godvrezend.

Dat was heel goed zichtbaar in zijn leven. Potifar, een heiden zag het ook.



Vers 5

Zegen van God


Zegen op het land

Jozef moet deze functie toch minstens 2 jaren bekleed hebben, want Potifar zag Gods zegen ook in de landopbrengsten. Daar gaat lange tijd overheen.



Vers 6

Dan vh brood dat hij at.

Potifar hield zich aan Egyptische eetregels. Een Egyptenaar at bv. nooit met mes en vork van een vreemdeling. Hij wilde zelfs geen vlees als het gesneden was met een mes van een vreemdeling.



Vers 7

Het gebeurde.

Het is ongeveer 10 jaar na Jozefs komst in Egypte.

Boek van de oprechten noemt de vrouw van Potifar Zelica.



Vers 8

Hij weigerde.

Boven dit "weigerde" zetten de masoreten een zeldzaam voorkomend teken, de sjalsjelet. Dat is een muzieknoot die omhoog- en omlaag kan gaan.

De notatie is als een bliksemschicht.

Het geeft een heel moeilijke keus aan, innerlijke strijd.

Dit teken staat ook in Genesis 19:16. Lot aarzelde.



Vers 9

Liefde.

Jozef heeft God lief boven alles en Potifar als zichzelf.


God.

Hier gebruikt Jozef voor God het woord Ĕlôhîym. Dat is God zoals we Hem kennen in de natuur. Deze naam begrijpt de vrouw van Potifar waarschijnlijk wel. De eigennaam van God, JHWH, kent ze niet.


Zonde tégen God.

Dit is het belangrijkste argument van Jozef.

Dit moeten wij ook durven zeggen.

Gelovigen hebben toch de hartstochten gekruisigd?



Vers 12

Jozef vlucht weg

Hij verliest zijn jas, maar houdt zijn goede geweten.

Hij bleef staande in de verzoeking.


Andere gelovigen in verzoeking

Verzoekingen in onze tijd



Vers 14

Zie hij...

=Potifar



Vers 20

Volgens Genesis 40:3 staat de gevangenis onder direct toezicht van Potifar.



Vers 21

Hoofd vh gevangenis

De cipier was dus een ondergeschikte van Potifar.



<