Hoofdstuk 40


Vers 1

Beiden waren schuldig.

Bakker én schenker zondigen.


Schenker.

Het Boek vd oprechten 49:30 noemt hem Merod.



Vers 2

Farao.

Dat is geen naam, maar een koningstitel.

Zo ook:

Hoofd van..

De schenker en bakker zijn hooggeplaatste hovelingen.



Vers 3

Hoofd van lijfwacht.

Dat is Potifar. Genesis 39:1.



Vers 4

Hoofd van de lijfwacht.

Potifar is dus nog steeds vriendelijk voor Jozef.



Vers 7

Waarom zijn jullie verdrietig?

Jezus stelde dezelfde vraag aan de Emmaüsgangers.

Ook hierin is Jozef een type van Jezus.


Verdrietig.

Er is geen uitlegger.

Wie helpt ons uit de droom? Is het goed of slecht?



Vers 11

Druivensap.

Egyptenaren dronken wijn. Veel Arabieren in de oudheid niet. Farao drinkt druivensap.

Misschien is dit ook een aanwijzing dat deze farao een Hyksosfarao, een overheerser was.



Vers 13

Een hoge plaats geven.

Letterlijk:

Zie Psalm 110:7.


Getalswaarde van wijn en brood.

Hebreeuws wijn=70.

Hebreeuws brood=78.

148=pesach.



Vers 15

Ik heb niets gedaan.

Jozef was ook hierin een type van Jezus.

Ook Jezus had niets onbehoorlijks gedaan.



Vers 16

Niet bij farao.

De bakker droomt NIET dat hij bij farao is. Dat was bij de schenker wel zo.



Vers 19

6 dromen.



Vers 23

De schenker vergeet Jozef.

Jozef had het al moeilijk met zijn onverdiende gevangenschap, maar nu duurt het nog 2 jaren voordat hij vrij komt.

God gaat vaak onbegrepen wegen.



<