Hoofdstuk 38


Vers 1

Juda.

In Hebreeuws schrijft men Juda met 5 letters. HDWHJ

De D = Daleth is toegevoegd aan de Godsnaam HWHJ.

De Daleth

De stam van Juda, de 4e stam, lag later in de woestijn voor de deur van de tabernakel.


Jezus is:

Hij trok weg.

Hij verlaat de familie die bij God hoorde.

Hij gaat een weg als Ezau.



Vers 2

Een Kanaänitische man.

Juda woont dichtbij of tussen de heidenen.

Hij neemt zelf een Kanaänitische vrouw.

Het ligt voor de hand dat ook Tamar een Kanaänitische was.



Vers 6

Tamar.

Het ligt voor de hand dat Tamar een Kanaänitische was.

Haar leven vertoont veel overeenkomsten met het leven van Ruth.



Vers 7

Slecht.

Volgens Boek vd oprechten deed Er hetzelfde als wat Onan later ook deed.



Vers 8

Leviraatshuwelijk.

Het in het zwagerhuwelijk verwekte kind gold als kind vd overleden broer.

Dit zwagerhuwelijk bestond dus al vóór de wet van Mozes.


Nieuwe eerstgeborene.

Er, de eerstgeborene, is overleden. Nu heeft Onan het eerstgeboorterecht.

Hij wil daarom géén zoon verwekken, want die zou erfgenaam van Er zijn. Dat kostte Onan het dubbele erfdeel.



Vers 11

Sela

Juda dacht dat Tamar het ongeluk bracht. Hij beloofde Sela wel, maar hij was niet van plan hem aan Tamar te geven.


Tamar was gebonden.



Vers 14

Enaïm.



Vers 15

Hoer.

Volgens het grondwoord hield Juda haar NIET voor een tempelprostituee.

Onder de Kanaänieten waren veel hoeren gewijd aan Astarte. De geit was een aan Astarte gewijd dier.



Vers 18

Onderpand

Thamar weet dat ze groot risico loopt als ze zwanger wordt. Daarom wil ze de zegelring en het snoer waarmee de zegelring om de nek hing. Dan kon ze later bewijzen wie de vader vh kind was.



Vers 23

Juda is liever zijn zegelring kwijt dan zijn goede naam.



Vers 24

Rechtsspraak

Juda, hoofd van de stam, moet rechtspreken.



Vers 25

Ze stuurt een bode naar Juda.

Thamar wordt al naar de executieplaats gebracht. Juda is daar niet aanwezig.

Thamar erkent schuld. Ze

Ze houdt echter de naam van de vader van haar tweeling geheim, maar zal Juda laten weten dat de vader wel een onderpand bij haar achterliet. Ze maakt Juda niet in het openbaar te schande. Alleen Juda zal het weten, tenzij hij het zelf verder vertelt.

De rabbijnen beschouwen de daad van Thamar als een voorbeeld voor ons allemaal: maak een ander nooit in het openbaar te schande.



Vers 26

Zij staat in haar recht.

Juda erkent schuld.

Dit is de 1e keer dat we in de Thora lezen dat iemand erkent schuldig te zijn.

Juda verandert.

Hij keert terug naar zijn familie.

Hij wil Benjamin beschermen. Hij heeft zijn leven over voor zijn broer.



Vers 27

Tweeling.

Het woord tweeling (=tomiem) is hier langer dan in Genesis 25:24 bij Ezau en Jakob. Waarschijnlijk waren deze kinderen 1-eiig en hadden dezelfde eigenschappen.



Vers 29

Perez of Fares.

= doorbreker.

Hij werd de voorvader van David.

Tamar is ook opgenomen in het geslachtsregister van Jezus.



Vers 30

Zerah betekent: (zons)opgang.



<